door Len Borgdorff, 22 december 2020


Wij lezen dagelijks een stukje uit de Bijbel, hier bij de Borgdorffjes. Vorige week kwamen we van de deutero-canonieke boeken plots in het Mattheusevangelie terecht. Na het geslachtsregister van het beroemde decemberkind en het bezoek van de drie wijzen werden we geconfronteerd met de kindermoord in Bethlehem, een fragment dat je maar beter kunt uitstellen tot de rauwe realiteit van half januari weer tot ons is doorgedrongen, maar het was er wel de reden van dat ik nu blijf haken bij een sonnet van Revius. Hij is vooral nog bekend vanwege Hy droegh onse smerten, het gedicht waarin de schuldvraag rond de dood van Christus centraal staat. Ik denk dat zijn gedicht Kindermoort op de tweede plaats komt.

 

Kinder-moort

Doe den gecroonden wolf de schaepkens nieu-geboren
Met zijnen wreeden muyl te Bethlehem verslont,
Een clagelijck geschrey steech vander aerden gront
En quam ten hemel in voor Gods gerechte oren.

Een vliegende geswerm der engelen vercoren
Ontvinck den cleynen hoop geplettert en doorwont,
En nam de witte siel van haren roden mont
Die stellend’ onbesmet Gods aengesicht te voren.

Hoe cort was haren tijt in droevich tranen-dal!
Hoe groot is hare vreucht die eeuwich dueren sal!
Hoe loven zy de Heer haer gonstigen weldader!

Sy gingen haestlijck int leven door den doot,
Gerucket onverwachtwt hares moeders schoot,
Gedragen inden schoot van haren liefsten Vader.

In dit gedicht wordt geen woord gezegd over de geboorte van Jezus en de gewelddadige interventie van Herodes die daarvan het gevolg is; ook wordt niet verteld dat Jezus aan deze slachtpartij ontsnapte. Dat hoeft niet, want dat weten we wel, zoals we ook weten dat Jezus een kort mensenleven later toch nog flink te grazen genomen zal worden.



Voor je verder leest, wil ik je vragen om het gedicht hardop voor te lezen. De eerste keer gaat dat op verschillende plekken fout, de achtste regel bijvoorbeeld, waar de engelen de zieltjes in hun zuivere staat voor Gods aangezicht brengen. Maar als je het een tweede keer leest, komt er een prachtig stukje taal tevoorschijn, een fraai gebeeldhouwd sonnet, zoals dat heet.

Jammer is natuurlijk wel de voorspelbaarheid van de wending, waarbij het korte aardse leed dubbel en dwars vergoed wordt door een ‘vreucht die eeuwich dueren sal!’ Dat gaat me iets te snel; zoiets doet geen recht aan de ellende van die kindermoord in Bethlehem. Daar moet je je niet te makkelijk van af maken.

Nu schreef Revius zijn sonnet vierhonderd jaar geleden. Het werd in 1630 uitgegeven. Over hem lees ik in een artikel van P.J.H. Vermeeren uit 1936: ‘Hij had de Veluwe zien branden en daarin het knetterend vuur herkend waarin de eerste hervormingsmartelaren waren omgekomen, een zaak die hij door eigen studie kende. De geuzenliederen klonken hem nog in de ooren en de gehate Spaansche legioenen zag hij nog in eigen omgeving. Het met zooveel moeite bevochtene kon ieder oogenblik weer ineenstorten en al twijfelde hij niet aan het diepe geloof der volgelingen, en al zag hij een verbond tusschen den Schepper en Oranje, er moest veel zijn dat zijn ongerustheid wakker hield, dat hem voortzweepte tot voortdurenden strijd, onmeedoogenden haat en rustelooze werkzaamheid.’

Hij schreef het dus in een wereld van een pijnlijk bevochten overwinning, een wereld die je een tamelijk hoog moordzuchtig Bethlehemgehalte kunt toedichten, een overwinning die blijkbaar nog behoorlijk wankel was ook, dus misschien moet ik een beetje oppassen met mijn opmerking dat Revius in dit sonnet wel erg gauw met grote stappen thuis komt.

Tegelijkertijd is daar het bijzondere perspectief van die wenkende hemel. Dat is vierhonderd jaar geleden, ja. Je kunt je afvragen of die hemelse eeuwigheid niet al lang is afgeschaft. Nu ben ik nog groot geworden met dat wenkend perspectief, ook denk ik niet dat die hemel verdwenen is, maar wel is er op zijn minst sprake van bewolking.

Dat is maar goed ook. In het hiernumaals moeten we vooral geen voorschot nemen op een eventuele goddelijke tussenkomst. Voor veel kinderen komt de wereld niet verder dan de tweede, nou vooruit, de derde versregel. Ieder kind dat dood gaat in een kamp, slachtoffer is van een gezinsdrama, dat klappen krijgt, dat in een volgeladen boot zit, dat geen eten meer krijgt, dat niet de medicijnen krijgt waaraan het behoefte heeft, dat geen vriendjes of vriendinnetjes te zien krijgt, dat niet de kans krijgt om groter te groeien en middelen krijgt toegestopt om vandaag maar ook morgen of overmorgen in ieder geval niet ongelukkig en hopelijk zelfs gelukkig in een betekenisvol leven te staan, wordt vermoord in Bethlehem.

En de grote mensen? Dat zijn de soldaten, of de vaders en moeders en buren, de juffen en schoolmeesters, de ooms en tantes. In dit ondermaanse zijn eerst wij aan zet, mensenlevenslang.

Laat ik het hier bij houden: dat wij de ooms en tantes mogen zijn van de kinderen van Bethlehem. God wacht wel, dat doet hij graag.


Jacobus Revius, Over-ysselsche Sangen en Dichten. 1630.

Submit to FacebookSubmit to Twitter