door Len Borgdorff, 15 december 2020

Duin is beweeglijk. Bernlef heeft het over 

[…] de flanken van slapende dieren

nauwelijks merkbaar ademhalend


Er lopen veel meer dieren door de duinen dan dertig jaar geleden, toen Bernlef dit gedicht schreef. Schotse Hooglanders, Konikpaarden, damherten, reeën, shetlanders, schapen, we komen ze allemaal tegen en allemaal lijken ze er thuis te horen. Ze zijn een beetje van duin gemaakt, met hun kleuren vooral, maar ook omdat het wel lijkt dat ze zich door hun omgeving en door de elementen hebben laten vormen. Ze komen niet uit het duin maar zijn er door mensen neer gezet omdat het goed is voor de natuur. Daar weten mensen namelijk alles van.

Nu komt het duin ook niet uit het duin. Dat samenraapsel van zandkorrels. Het heeft, zij het niet gisteren, de lange weg afgelegd van de Alpen, naar de kust. Het zand was ook zelf alp, maar dankzij de zee kreeg het zijn fijne korrel. Die zee voegde er ook wat andere elementen aan toe.

 

 

Vorige week sprak ik mijn boekverkoper. Hij raadde mij een dichtbundel aan en ik kocht die. Hij vroeg wat ik hem deze week aanraadde. Ik vertelde dat ik Bernlef weer eens uit de kast had getrokken en dat ik zijn gedichten met zoveel plezier lees. Dat is al lang zo. Bernlef is de Zoetemelk van de poëzie. Hij is nooit de beste, maar scoort altijd hoog. Op die manier kun je overigens bovenaan komen in het algemeen klassement.

 

Bernlef neemt iets waar en gaat, vooral met zijn ogen, op zoek naar wat hij in essentie gewaarwordt. Ik wilde zeggen: naar de betekenis van wat hij ziet; dat is al een stap te ver.

Dat zoekende houdt zijn gedichten fris, de eerste gewaarwording, onbevangen. Indrukken en hier en daar een associatie die zich nu eenmaal voordoet als je even stilstaat om ergens naar te kijken. Ik voel me erg thuis bij Bernlef.

 

Ik vind hem ook hoekig, mis stilistische flexibiliteit. Dat past mogelijk bij poëzie van eerste indrukken, alleen geeft Bernlef me er hier en daar iets te makkelijk een draai aan, met een voor de hand liggende grammatica bijvoorbeeld. Ik mis ook melodie in zijn regels, of het tegenovergestelde waarbij een regel gaat horten en stoten en de grammatica geweld wordt aan gedaan. De plastiek van de taal ontbreekt. Iets te veel, voeg ik er maar aan toe.

Aan beelden geen gebrek: hommels zijn oude dames, het helm galoppeert. Er is humor:

 

‘de eerste mens met zijn horloge

maar voor hij iets zeggen kan stuift zand

zijn ogen in […]’

 

Hier is het hele gedicht:

 

Geestgronden I

 

Als de flanken van slapende dieren

nauwelijks merkbaar ademhalend

omgeven door tastende nevels

 

kwetsbare fletsbruine flanken

waar het eerste licht op glanst net zo lang

tot zij warm genoeg zijn om te ontwaken

 

Een eerste schelle meeuwenschreeuw

jaagt een patrijs de distels in

hommels zoeken als oude dames

verdwaasd naar poederdoosjes

 

Dan meldt zich de eerste mens met zijn horloge

maar voor hij iets kan zeggen stuift zand

zijn ogen in, galoppeert helm met de wind in de rug

regiment na regiment van hem weg.

 

Wat jammer dat hij met ‘als’ begint. Ik zou de eerste twee woorden hebben weggelaten en van de als-vergelijking een metafoor hebben gemaakt; die deelwoordconstructie zou ik uit elkaar gepeuterd hebben om er een gewone bijzin van te maken. Misschien zou ik die hele tweede regel weglaten.

De woorden ‘nauwelijks merkbaar’, ‘tastende’ en ‘kwetsbare fletsbruine’ bevallen me niet. In een gedicht slaan die woorden hun eigen betekenis dood: ze benoemen de nuance in plaats van die door slinkse beelden, klank en melodie op te roepen.

 

Maar nu moet ik hiermee echt stoppen, want Bernlef geeft met vier woorden aan wat duinen zijn: flanken van slapende dieren. Dat zijn het niet, maar ze zijn het intussen meer dan iets anders. En inderdaad, alsof ze niet leven, ‘nauwelijks merkbaar ademhalend’ en dat ook nog eens omgeven door ‘tastende nevels’ die het je onmogelijk maken om van die duinen eens een lekker gevalletje concreet landschap te maken.

En dat gaat zo maar door. Ik heb de afgelopen weken dus de bloemlezing ‘Op ’t duin’ en kom er een paar prachtige gedichten in tegen; bij die van Bernlef voel ik mij het meest thuis. Hij observeert en verwoordt raak en blijft weg van de zwaarte die duinen ondanks al hun verstuifbaarheid kunnen krijgen als je ze een symbolische lading geeft.

 

Bernlef stapelt beeld op beeld om de duinen eerst een verstild, slapend, leven toe te dichten om te eindigen met duinen die blijven liggen waar ze stormachtig wegijlen. Buiten de greep van de waarnemer, hup, het gedicht uit.

 

Ik heb altijd commentaar op de gedichten van Bernlef. Zou je niet dit? Zou je niet dat? Ik zou het er graag met hem over willen hebben / gehad willen hebben. Dan zou hij zeggen: joh, doe jij het dan beter.

En dan zou ik niks meer zeggen, maar samen met hem kijken naar zang dat ‘regiment na regiment van’ ons wegrent.

 

 

Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard, Boudewijn Bakker, Op ’t duin. 100 duingedichten en 100 duingezichten. Uitgeverij Toth, Bussum 2018.

J. Bernlef, Geestgronden. Gedichten. Querido, Amsterdam 1988

Submit to FacebookSubmit to Twitter