door Len Borgdorff, 9 december 2020


Over tederheid en liefde wil ik het hebben, over pijn en storm, naaktheid, over de vluchtigheid, ongrijpbaarheid.

Aanleiding is een bezoekje aan een kringloopwinkel in de buurt. Tussen talloze andere boeken trof ik ‘Op ’t duin’ aan, waarin een honderdtal duingedichten en een honderdtal duingezichten zijn verzameld. Ik had het een paar jaar geleden al eens in handen in de Bergense Boekhandel en heb het niet gekocht. Dat nam ik mezelf toen wel een beetje kwalijk, maar zo kan het gaan.

Ik nam het mezelf opnieuw kwalijk op het moment ik het in de kringloop opnieuw aantrof. Ik had dat boek allang moeten kopen. Duinen zijn mijn element. Dat ik het nu voor een fractie van de prijs kon meenemen, deed amper iets af aan dat gevoel. De hernieuwde ontmoeting wekte de fout van twee jaar geleden juist tot leven, maakte die zelfs tastbaar, werd een schuld van 260 bladzijden dik.


 

Al dit gedoe bracht mij tegelijkertijd ook weer nader tot de duinen, of liever tot de vraag over de manier waarop duinen door mijn hoofd spoken. Ik wilde schrijven: ‘door mijn hoofd waaien’, maar dat zou een misplaatst grapje zijn en geen recht doen aan wat ik met duinen heb. Daarna dacht ik te kunnen schrijven: ‘hoe duinen en ik zich tot elkaar verhouden.’ Ook onzin. Er is juist geen verhouding. Voor de duinen ben ik absoluut niet iemand of iets om zich toe te verhouden, behalve dan als ik letterlijk in het zand ga liggen. En omgekeerd zijn er geen duinen waartoe ik me kan verhouden.

Ik ben vlak achter de duinen geboren, in een wijkje met straatnamen als Duinstraat, Helmstraat, Braamstraat en Varenstraat. De werkelijkheid van de duinen en de namen van de straat doen me denken aan de linker- en de rechterbladzij van een opengeslagen boek. Elders vind je daarin bossen met een aangrenzende wijk met straatnamen als Beukenlaan, Vlierboomstraat, Eikenlaan. Zoiets. Maar ik hoor op deze bladzijden thuis.

 

Intussen heb ik veelvuldig door ‘Op ’t duin’ gebladerd, de platen bekeken, gedichten gelezen en langzaam aan werd me duidelijk dat ik op zoek was naar wat voor mij de essentie van duin is.

Mijn duinen kennen geen bossen, zijn meer blond en kaal dan groen. Alleen het naar grijs neigende groen van helmgras heeft er een plaats. Op mijn duinen krijg ik geen greep. Ze lijken landschap maar feitelijk zijn ze als de vertraagde golven zoals je die tientallen meters verder ziet.

 

De wijzers van klokken intrigeerden me; ik keek er als kind gebiologeerd naar om ze te zien bewegen. Vooral de kleine wijzer voor de uren was interessant. Ook die bewoog. Soms meende ik dat ook te kunnen zien. Of het echt zo was, wist ik niet. Uiteindelijk gaf de tijd me gelijk: jawel, ook die wijzer bewoog, maar dan vooral op een manier die mij ontging. En dat terwijl ik de tijd wilde betrappen.

 

Met de duinen ging het al net zo. Je zag ze niet bewegen, ook als je de beweging zag van het zand dat werd opgeblazen. Duinen waren verboden gebied. Dat maakten allerlei bordjes, de afzetting met prikkeldraad wel duidelijk en niet te vergeten de angstaanjagende verhalen over de in leer verpakte duinpolitie.  De verleiding om onder het prikkeldraad door te kruipen en dan omhoog te ploeteren, werd er overigens niet minder van. Je zakte diep weg, tussen die bosjes in het zand gestoken riet en het begin van helmgras door en begreep meteen waarom het duin verboden gebied was. Je liep er op eieren.

 

Heftig was het moment waarop mijn broer mij vertelde dat er soms wel eens een jongen en een meisje in een duinpan gingen neuken. Dat woord kende ik niet. Mijn broer, vier jaar ouder, legde het me uit en vertelde dat een jongen en een meisje dan al hun kleren uit deden en dan gingen vrijen en dan verdween de piemel van de jongen in het meisje. Tussen haar benen. Daar groeide haar. In gedachten zag ik het voor me terwijl ik keek hoe mijn broer naast me schilfertjes van zijn onderbeen trok die niet in het zand terecht kwamen maar werden opgeblazen door de wind. Maar wat ik in het echt zag was een warme duinpan met twee blote jonge mensen die een kleurschakering waren van hun omgeving maar intens bewogen om en in elkaar. Zoals de duinen zelf, maar veel trager, en daardoor ongezien, ook als je er naar keek. Ik kreeg er een droge keel van. Dat neuken moest wel een zonde zijn, maar tegelijkertijd: duinen waren zo zuiver, en dan dat gewassen zijn, de ziltheid, de bleke strobundels, het noeste, bescheiden helmgras, de reinigende wind… Zou het met die zonde ook niet mee kunnen vallen? Het maakte hoe dan ook een intens verlangen in me wakker waarmee ik als negenjarige geen raad wist. Dat kwam er dus nog bij: de erotiek van het landschap. Van lichamen die hun verband vinden, voor kortere of langere tijd en verblazen worden.

 

Zo kan ik nog wel uren doorgaan, maar de vraag blijft welk gedicht in de bundel komt het meest in de buurt van wat duinen bij me oproepen. Ik kom uit bij het zesde gedicht van de cyclus Geestgronden van J. Bernlef, ook te vinden in de gelijknamige bundel.

 

Geestgronden 6

 

Ik raak de duinen met mijn ogen aan en

meteen trekken de kleuren zich terug

tot in twee  steenroodharde bessen

oorbellen in de struiken gehangen

door haar die hier ondergestoven

 

Onaangeraakt haar verzwegen visioen

ademt naar de top van het duin

waar het in een vlaag verwaait

voor wat rest zijn geen woorden

 

Ik ben gelukkiger dan ik ben

daarom heb ik geen weet van

de heuvels die mij traag omarmen

die mij terugleggen aan de borst

die mij naar binnen zuigt.

 

 

Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard, Boudewijn Bakker, Op ’t duin. 100 duingedichten en 100 duingezichten. Uitgeverij Toth, Bussum 2018.


J. Bernlef, Geestgronden. Gedichten. Querido, Amsterdam 1988

Submit to FacebookSubmit to Twitter