door Len Borgdorff, 1 december 2020

Als lid van de ouderraad verzorgde mijn mij zo dierbare lange tijd de vitrine van de basisschool van onze kinderen. Daarin werden de seizoenen en hoogtijdagen van het jaar gevolgd, waarbij vooral het laatste kwartaal erg geliefd was. Eerst de kastantjes, eikeltjes, beukennootjes en neppaddestoelen tussen verkleurend blad, tot slot een ster, sneeuw, een huisje, dieren, gouden belletjes en veel engeltjes, en daar tussenin de Sint.

Alleen deze laatste maanden vind je tot op de dag van vandaag terug, nu in de vitrine hier in huis. We zien er de gouden munten uit een juten zakje stromen. Er staan verschillende Sinterklazen en diverse paarden. Er liggen peper- en kruidnoten, hele kleine chocoladeletters en nog een heleboel meer en dat allemaal op een rode lap fluweel.

 



Dit jaar ontbreekt Piet, met en zonder kleur. Dat valt me meteen op, maar ik moet er op attent gemaakt worden dat ook de roe er dit jaar niet bij ligt. De vitrine is een aangelegenheid van de mij zo dierbare en daarom geeft het geen pas om commentaar te leveren op haar beleid. Als zij geen pieten meer wil, dan zul je mij daar niet over horen en ook als zij de roe afwijst, zwijg ik.

 

Maar blijkbaar niet tijdens de afwas. De mededeling van de ontbrekende roe lijkt zich toch ergens op een plekje in mijn hersenpan te hebben vastgehaakt, want spontaan zing ik:

 

Maar o wee, wat bitter smart

kregen wij voor koek de gard.

Maar o wee, wat bitter smart

kregen wij voor koek de gard.

 

Het kost me even tijd om te bedenken uit welk sinterklaaslied die regels komen. Alleen door de regels van smart en gard nogmaals te zingen kom ik terecht bij ‘Zie, de maan schijnt door de bomen’. Daar schaam ik me een beetje voor. Dat had ik toch meteen moeten weten.

 

Ineens mis ik het bosje takken in de vitrine. Het zag er zo lief en vriendelijk uit, ook al was het bedoeld als instrument om kinderen mee te mishandelen. Mij is dat nooit overkomen. En ik heb me zelf nooit misdragen met een roe in mijn hand. Als kind speelde ik graag voor zwarte piet. Het schminken met een beroete kurk was een gedoe; het wegpoetsen van al die narigheid was veel erger. Daar hield ik niet van. Maar ik nam het zoals een drinker de kater daarna op de koop toe neemt.

De roe, de gard dus, was van een heel ander chapiter. Ik knipte daarvoor rode twijgen van een wilgvariant bij ons in de achtertuin en bond ze samen met een touwtje. De rankheid van de twijgen, de dieprode kleur… Ik vond een roe misschien wel mooier dan een bos bloemen. Natuurlijk sloeg ik er mee op een tafelblad, of in de palm van je open linkerhand. Maar altijd voorzichtig, niet eens om tafel of hand te ontzien, maar vooral om de dunne twijgen niet te beschadigen.

 

Tegelijkertijd drong daar bij de afwas (wij zijn onze eigen machine) tot me door dat ik deze regels putte uit het bestand van mijn bovenkamer dat ik al paraat heb vanaf mijn vierde of vijfde jaar. Ik was van dat besef twee tellen zo verbijsterd dat er geen noot meer uit mijn strot kwam. Deze zware, archaïsche woorden, die in een boetepsalm in de oorspronkelijke vertaling van de Statenbijbel niet misstaan zouden hebben, kwamen ooit als zilveren klanken voort uit het heldere kinderkeeltje van dun glas waarover ik ooit beschikt moet hebben.

 

Ik zong de woorden opnieuw, met in mijn rechterhand een droogdoek en in de linker een pannendeksel terwijl de mij zo dierbare mij even schuin aankeek, zonder haar handen uit het sop te halen waarin ze een pan te lijf ging. En ook zonder iets te zeggen.

 

De woorden van het lied zijn van Jan Pieter Heije. Hij schreef ze in 1861. De melodie is van Joannes Josephus Viotta. Deze tragische regels zijn misschien wel de mooiste van het hele lied. Daar draagt de melodie aan bij; daarom herhaal ik de naam van Viotta. Nog mooier is de herhaling van de tekst en melodie, een echo die je het beste maar wat zachter kunt zingen.

Deze regels brachten me tot bezinning, tot inkeer, voerden me naar het besef dat ik ongewild en ongeweten tot zonde kon vervallen en dan kreeg je met de gard. Zo was dat nu eenmaal. Zei Sartre al niet ‘L'enfer c'est les fouets’? Of zoiets.

 

In de vitrine staat ook een oud boekje. Pepernoten heet het en de ondertitel is ’20 der meest bekende St. Nicolaasliederen’.  Na de afwas zie ik dat het opent met ‘Zie de maan…’ Ik kijk even naar het woord bitter. Hier lees ik bitt-re. Ik zing voor koek de gard; terwijl de tekst zegt: een gard. Zo zie je maar. Het meest verrassend is dat er nog een derde couplet is. Dat wist ik niet. En dat couplet haalt de angel uit het liedje. De dreiging van de gard wordt daar helemaal weggepoetst. Dat zou me deugd moeten dan, maar ik ben een beetje teleurgesteld.

 

Doch ik vrees niet, dat wij klagen,

Vader, Moeder zijn te goed!

Waren we ook niet alle dagen,

Véle waren wij toch zoet!

Ban dus vrij de vrees van 't hart,

'k Wed, er ligt geen enkle gard!

Ban dus vrij de vrees van 't hart,

'k Wed, er ligt geen enkle gard!

 

Had ik geweten dat het lied helemaal niet zo dreigend eindigt als ik altijd heb gedacht, was ik vast en zeker niet zo’n flinke jongen geworden.

 

Lees meer

 

Zie, de maan schijnt door de boomen,

Makkers! staakt uw wild geraas;

't Heerlijk avendje is gekomen,

't Avendje van Sint-Niclaas!

Van verwachting klopt ons hart,

Wie de koek krijgt, wie de gard!

Van verwachting klopt ons hart,

Wie de koek krijgt, wie de gard!

 

O! Wat pret zal 't zijn te spelen

Met dien bonten arlekijn!

Eerlijk zullen we alles deelen,

Suikergoed en marsepijn;

Maar, o wee! wat bittre smart,

Kregen wij voor koek, een gard!

Maar, o wee! wat bittre smart,

Kregen wij voor koek, een gard!

 

Doch ik vrees niet, dat wij klagen,

Vader, Moeder zijn te goed!

Waren we ook niet alle dagen,

Véle waren wij toch zoet!

Ban dus vrij de vrees van 't hart,

'k Wed, er ligt geen enkle gard!

Ban dus vrij de vrees van 't hart,

'k Wed, er ligt geen enkle gard!

Submit to FacebookSubmit to Twitter