door Len Borgdorff, 10 november 2020

J.C. Bloem noemde natuur iets ‘voor tevredenen en legen’. Hij genoot van de Dapperstraat. Toch zijn de mooiste regels van het gelijknamige gedicht die van de tweede strofe en daarin gaat het om natuur die zich tegen de verdrukking in weet te handhaven.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Dat is iets waar niet alleen Bloem patent op heeft; ook Vestdijk liet zich uit over de wereld van beknelde natuur.

 

Bloem en Vestdijk waren tijdgenoten; ze zullen elkaar ongetwijfeld gekend hebben. Het valt me tegen dat ik niet zo gauw een foto vind met daarop de beide heren. Die zal er toch wel zijn.

Het sonnet De Dapperstraat van Bloem is veel bekender geworden dan het sonnet Zelfkant van Vestdijk, al is dat wel een van diens bekendere gedichten. Zelfkant is ook een stuk ouder: het is uit 1931, terwijl het gedicht van Bloem pas in 1946 in een bundel verscheen.

Alleen al om de titel hou ik van het gedicht: zelfkant is een mooi woord. Van zijn oorspronkelijke, letterlijke betekenis vind je in het gedicht alleen maar iets terug als je dat er per se in wilt lezen. Daarvoor moet je dan bij het ‘waschgoed’ in de derde regel zijn. De meer bekende betekenis, de tweede bij  Van Dale, is: ‘(fig.) buitenrand, grensgebied, […] janhagel, schorriemorrie […]’

Tegelijkertijd roept het woord ook andere associaties op, maar vooral vind ik het een sterk, hoekig, weersbarstig woord, zoals vestdijk als woord ook een mooi sterk woord is.

Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland'lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tusschen arm'lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want 'k weet, er is daar waar men 't leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van bleekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen,

En 't zwarte kalf in 't weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen

Er is nog een ander woord waarmee Vestdijk me inpakt, in de eerste regel al: halfland'lijkheid, waarbij de elisie van de stomme e, tussen land en lijk wel een voorwaarde is.

Met die sjwa, die stomme e dus, komt het zelfs voor in de dikke Van Dale, met daarbij, mét inachtneming van de elisie, de verwijzing naar de dichtregel van Vestdijk. Die heeft er dus het woordenboek mee gehaald. Dat is gerechtigheid.

Ook is het volgens Onze Taal een van de jaarwoorden uit 1931. Zo’n woord is het dus.

 

Maar het is vooral het beeld dat Vestdijk in het gedicht oproept van door industrialisering beknelde natuur. Romantische zielen voelen zich daarin vaak beter thuis dan in de overweldigende natuur, is het adagio.

 

Intussen is het beeld dat Vestdijk schetst van zijn geïndustrialiseerde wereld ook al nostalgie geworden. Ik moet ervoor naar het rangeerterrein van het Spoorwegmuseum. In de tijd van Vestdijk zou je in Utrecht over het terrein van Werkspoor moeten zwerven om te ervaren wat in het gedicht beschreven wordt. Nu kan je daar naar een theater of, straks weer, op een bijzonder groot terras een bijzonder ipa-biertje proberen.

 

Ik dwaalde als puber graag over een fabrieksterrein bij Voorburg. Daar is nu een woonwijk. Als kind was ik dol op de lorries bij de veiling en op het tuindersbedrijf achter ons huis. Je moest wel veel kracht zetten om ze in beweging te krijgen voordat ze hun weg trokken over de smalle rails. Regelmatig gleed je voet weg over de sintels die er lagen en de scherven van bloempotten. Als het een beetje tegen zat, had je een gat in je knie en moest er weer van die ellendig prikkende jodium op. Nog erger was een gat in de knie van een lange broek. Liever bloed dan een mopperende moeder.

Toch kon dat alles niet op tegen de betovering van de lorrie en het wonder van weegbree, handjesgras, klaver, madeliefje, muizenstaart. Dat dat kon bestaan.

En ergens achter een stookhuis stond een geit. Er was ook een hokje bij. Nooit geweten of iemand wel wist dat die geit daar stond.

 

J.C. Bloem, Verzamelde gedichten. Polak & Van Gennep, Amsterdam 19652.

 

Simon Vestdijk, Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan. Een bloemlezing uit zijn gedichten, samengesteld en ingeleid door Martin Hartkamp. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1982.

Submit to FacebookSubmit to Twitter