door Len Borgdorff, 3 november 2020


De grote roerganger van de PKN heeft aangegeven dat de bij zijn organisatie aangesloten kerken voor en na de oorlog te weinig zijn opgekomen voor hun joodse landgenoten. Excuses daarvoor kan een kerk niet aanbieden, zegt hij (dat begrijp ik overigens niet), maar schuld belijden wel. Dat gebeurt op maandag 9 november, op de avond dat we de ellende en de manifeste daad van agressie tegenover de joden gedenken die het begin van een verschrikkelijke reeks zou worden, de Kristallnacht.

De cynicus in mij merkt op dat Nederland momenteel op allerlei fronten grossiert in verontschuldigingen (of wat daarop lijkt).

De scepticus vraagt zich af in hoeverre een instituut als de protestantse kerk dit kan en mag doen omdat het ook de mensen vertegenwoordigt die hun leven hebben geriskeerd door wel voor joodse medemensen op te komen of hun te helpen. Waren ook niet zij juist de kerk?

 

 

Intussen is er inderdaad iets niet in de haak en er is alle reden voor schaamte. Op de zondagsschool vertelde de meester (daarvan hadden we er vier en hier gaat het om de jongste) dat de joden het onheil over zich afgeroepen hebben door Jezus niet te accepteren. Die opvatting was niet bijster origineel, maar wel schokkend aan het begin van de jaren zestig. Het bloed van de joden was over hen en over hun kinderen gekomen. Daarmee was hun ellende niet goed gepraat, gaf de jonge zondagsschoolmeester toe. Hij ging nog een stap verder door te zeggen dat het maar goed was dat wij (en daar bedoelde hij niet-joodse en waarschijnlijk vooral christelijke Nederlanders mee) deze mensen geholpen hadden, maar het jongetje dat ik toen was zat het verbijsterd aan te horen. Ik zal toen elf geweest zijn. Zoveel tergende onzin kon ik niet aan.

Ander moment, een jaartje later. Mijn vader maakte als jongetje het faillissement mee van zijn vader. Die verkocht rond 1925 in één keer de grote partij koeien waarmee hij de nacht daarvoor vanuit Dinteloord naar Hoek van Holland was gereisd. Hij meende een goeie prijs gemaakt te hebben. Uitbetaling gebeurde in de vorm van een enorm dikke stapel bankbiljetten van duizend Oostenrijkse kronen. Op de terugreis, in de trein, kreeg mijn opa te horen dat die dingen niets meer waard waren.

Mijn opa brak en kwam de klap amper te boven. Vooral zijn kinderen moesten voortaan de kost verdienen, onder wie het jongetje van acht of negen dat later mijn vader zou worden en die later nog boos kon worden over de boef die zijn vader ooit die streek geleverd had. Dat was een joodse koopman en de streek die deze zijn vader geleverd had, ‘was een echte jodenstreek,’ liet hij zich een keer ontvallen. Ik weet niet in welke termen zijn vader zich hierover uitliet.

‘Weet u dat u zelf ook een jood bent?’ vroeg ik toen aan mijn vader. Dat had een tante me namelijk wel eens verteld: de moeder van mijn vader zou van Portugees joodsen bloede zijn. Tante zelf, dochter van diezelfde moeder, was daar wel een beetje trots op. Zij liet zich graag ergens op voorstaan en een Portugees-joodse herkomst paste daar wel bij. Mijn vader had daar nooit van gehoord, maar los daarvan schrok hij van de zichtbare irritatie die zijn opmerking bij mij opriep, ik zal een jaar of dertien geweest zijn.

Ik voelde me met mijn verontwaardiging een verdediger van het joodse volk. Later las ik Het wilde feest, een boek van Adriaan van der Veen. De hoofdpersoon van die roman neemt het in Amerika op voor de joodse zaak en ontpopt zich tot een felle voorvechter daarvan om uiteindelijk te ontdekken dat hij daarmee mensen die jood zijn op een voetstuk plaatst, maar je kunt beter zeggen: een status aparte geeft. Op die manier doet hij in zekere zin wat hij antisemieten verwijt. Zoals je ook in onwaarachtige termen en met misplaatst superioriteitsgevoel over zielige kindertjes in Afrika kunt praten. Dat boek heeft me voorzichtiger gemaakt.

Het kan niet anders of het gedicht van Jacobus Revius speelt door mijn hoofd, een sonnet uit 1630.

 

Hy droegh onse smerten

 

't En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten,

Noch die verraderlijk U togen voor 't gericht,

Noch die versmadelijk U spogen in 't gezicht.

Noch die U knevelden en stieten U vol puisten.

 

't En zijn de krijgslui niet die met haar felle vuisten

De rietstok hebben of de hamer opgelicht,

Of het vervloekte hout op Golgotha gesticht

Of over Uwe rok t'saam dobbelden en tuisten.

 

Ik ben 't, o Heer', ik ben 't die U dit heb gedaan.

Ik ben de zware boom die U had overlaan.

Ik ben de taaie streng daarmee Gij gingt gebonden.

De nagel, en de speer, de gesel die U sloeg.

De bloedbedropen kroon die Uwe schedel droeg.

Want dit is al geschied, eilaas, om mijne zonden.

 

Er is nog een boek. Onvergetelijk is de herinnering van Péter Nádas in De levensloper. Op een dag komt de achtjarige Péter uit school. Hij vertelt zijn moeder dat hij joden haat. Zij hebben Jezus namelijk gekruisigd, is hem op school verteld, bij de godsdienstles. Terwijl hij dit vertelt, voert zijn moeder hem mee naar de grote spiegel in de hal. Daarin kijken ze elkaar aan, moeder en zoon. Dan duwt de moeder de jongen voorzichtig nog dichter naar de spiegel. “Nou, kijk hem dan maar eens goed aan, zei ze rustig, daar heb je een jood, die kun je rustig haten.”

“Sindsdien,” zo gaat Nádas verder, “kijk ik mezelf aan en vraag me af wie ik ben. Sindsdien denk ik erover na wat ik over anderen kan beweren en wat over mijzelf. Als ik in de spiegel kijk zie ik niet meer mezelf, maar iemand die naar iemand kijkt in de spiegel.”

 

We herdenken op 9 november een wond waarvan we alleen maar mogen hopen dat die blijft kloppen, blijft schrijnen en waar we geen raad mee weten, met of zonder excuses of schuldbelijdenis.

 

Jacobus Revius, Over-ysselsche Sangen en Dichten. 1630.

Péter Nádas, De levensloper, Vertaling Rob Visser. Van Gennep, Amsterdam 1997

Submit to FacebookSubmit to Twitter