door Len Borgdorff, 27 oktober 2020


Via Emily Dickinson kom ik bij Vestdijk. Hij overleed op 23 maart 1971. Nog in datzelfde jaar kwam in drie delen dundruk zijn verzamelde poëzie uit. Zijn verzameling romans zou later volgen.

Intussen wordt het werk van de man die sneller schreef dan God kan lezen1, amper meer ter hand genomen. Zijn enorme hoeveelheid poëzie is ook na de monumentale verzameling uit 1971 altijd in de schaduw van zijn proza blijven staan en ook dat proza krijgt nog maar weinig aandacht.

Die Verzamelde Gedichten staan weliswaar nog steeds op mijn verlanglijst, maar ik doe er eerlijk gezegd niet erg mijn best voor om ze eindelijk eens te pakken te krijgen. Wél kocht ik in de opruiming van 1986 de bloemlezing die vier jaar daarvoor was uitgegeven en die dus blijkbaar ook niet goed liep. Daar zit ik nu in de te lezen, zoals ik ook deel zes van de Anton Wachterreeks tevoorschijn heb gehaald: om een mij duistere reden ben ik ooit gestopt na deel 5.

 

 

Zou Vestdijks poëzie wel in algemene bloemlezingen voorkomen, vroeg ik me af. Nu heb ik er daar maar weinig van, maar de oogst valt me mee. In de al weer veertig jaar oude, dikke verzameling van Komrij staan er zelfs tien; dat is het maximum dat deze bloemlezer een dichter toebedeelde. Daarin staat ook een gedicht dat Martin Hartkamp niet opnam in zijn bloemlezing met Vestdijkpoëzie. Dat gedicht trof me, al was het maar vanwege het gedateerde thema van een brandende sigaret, geschreven in 1942, in een tijd dus dat roken een zeer vanzelfsprekende hebbelijkheid was, in ieder geval van het mannelijk deel der natie. Later zou Kopland dichten over het verlangen naar een sigaret. Intussen zijn de meeste mensen dat verlangen ruim voorbij en ook de rokers doen dat al lang niet meer binnen. Drank heeft zijn eerste plaats behouden en andere middelen hebben het intussen gewonnen van de sigaret. De vraag is of wegkringelende rook het nog doet als allegorie, zoals in het gelijknamige gedicht. Dat begint zo:

 

Een sigaret die opbrandt klimt

In flamboyante zwier ten hemel,

Waar hij, blauw engelengewemel,

Ontbonden langs de zold’ring schimt.

 

Lees het hele gedicht

 

Allegorie

 

Een sigaret die opbrandt klimt

In flamboyante zwier ten hemel,

Waar hij, blauw engelengewemel,

Ontbonden langs de zold’ring schimt.

 

Stil en eenzelvig is die brand,

Bijna onaards reeds op de aarde:

Geen adem die de rook bezwaarde

Tot grauwe slierten langs de wand,

 

En zonder die kunstmaat’ge ringen,

Waarin de zielen, rond en zwaar,

In luisterrijke hemelvaart

Zich naar de zoldering verdringen.

 

Toch, eenmaal aan de mond ontstegen,

Dringt zulk een ring veel verder door

Dan ’t stille zwieren dat het spoor

Vaak bijster wordt op zijn dwaalwegen.

 

Met rook die van de lippen knalt,

Met oogverdraaien en geloven

Wint men zijn vaste plaats daarboven:

Een koopman koopt wat hem bevalt.

 

Maar vóor zijn ziel, die opstijgt naar

De zold’ring, op succes mag hopen,

Zet God met spoed de ramen open

En blaast de ringen uit elkaar.

 

Het Gotisch rankwerk wijkt dan uit

En danst gracieus in zonnestralen

Met zijn ogiven en fialen,

Eeuwig verzekerd van de buit

 

Die hém ontgaat: een strooien halm

Blijft stro, al komt hij uit Havana;

Hij heeft geen deel aan het Hosannah

Met zijn berekende walm.

 

Simon Vestdijk

In het gedicht is er het onbestemde verijlen van de rook van een sigaret die opbrandt zonder dat er aan de sigaret getrokken wordt, een sigaret dus die vergeten opbrandt tussen twee vingers of op de rand van een asbak.

 

Stil en eenzelvig is die brand

Bijna onaards reeds op de aarde.

 

Daartegenover is er de resoluut, soms zelfs in kringen uitgeblazen rook die doelbewust zijn weg lijkt de vinden naar de hemel. Maar dan…

 

Maar vóor zijn ziel, die opstijgt naar

De zold’ring, op succes mag hopen,

Zet God met spoed de ramen open

En blaast de ringen uit elkaar.

 

Het is een grappig gedicht waarin niet alleen de rook verwijst naar vroeger tijden, maar ook de God die kordaat ramen openzet. In de eerste helft van de twintigste eeuw waren schrijvers dol op deze antropomorfe God in driedelig pak. Graag ook met een sigaar en een zakhorloge. Nescio, Achterberg.

 

Aan Achterberg moet ik ook denken bij de regel

 

Een koopman koopt wat hem bevalt.

 

Dat is vanwege die koopman. In Achterbergs gedicht ‘De werkster’ is Christus koopman in oud roest. Dat gedicht is uit 1947, dus van later datum dan het gedicht van Vestdijk. Of Achterberg het gedicht van Vestdijk las? Ik weet het niet; ik denk niet aan directe beïnvloeding.

 

De burgerlijke God, de koopman, de sigarettenrook zijn attributen die hoorden zozeer bij die tijd dat ze als vanzelf ook in de literatuur terecht kwam. Dat idee heb ik ook bij de woorden ‘stil en eenzelvig’.

Dat wordt gezegd van de rook van de onberoerde sigaret. Die woorden klinken als een aanbeveling. Er is veel stilte en eenzelvigheid in de poëzie van vóór 1950.

 

Het gedicht van Vestdijk is gedateerd. Dat bevalt me wel. Ik blader nog even verder.

 

Gerrit Komrij (samenstelling), De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 19803.

 

Simon Vestdijk, Wanneer mijn vader sterft, laat mij dan staan. Een bloemlezing uit zijn gedichten, samengesteld en ingeleid door Martin Hartkamp. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1982.

 

1A. Roland Holst, Verzamelde gedichten. Bert Bakker, Den Haag & C.A.J. van Dishoeck, Amsterdam, 1971.

Submit to FacebookSubmit to Twitter