door Len Borgdorff, 21 oktober 2020

We reden door de polder.

Alleen die woorden al zijn poëzie. De polder is het gebied dat het mogelijk maakt om met de auto of op de fiets vanuit Utrecht Friesland te bereiken. Het is een reis die ik regelmatig afleg, vrijwel altijd in dierbaar gezelschap. Het vaakst met mijn geliefde, zoals deze morgen. Minder vaak maar regelmatig ook met mijn vriend Gerard. En de eerste keer, toen de Flevopolder nog grotendeels nat was, reed ik er heen met de jongen die mijn zwager zou worden. Hij woont nu op Waiheke, een eiland in een baai bij Nieuw-Zeeland.

 

We reden dus door de polder vanmorgen, Mente en ik, toen Francis van Broekhuizen ons gezelschap kwam houden door via Radio 4 iets te vertellen over het Egidiuslied, een rondeel uit het einde van de veertiende eeuw. Ik denk dat iedereen het wel kent.

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn

Nu bestu in den troon verheven
Claerre dan der zonnen scijn
Alle vruecht es di ghegheven

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
­Du coors die doot du liets mi tleven

Nu bidt vor mi ic moet noch sneven
Ende in de weerelt liden pijn
Verware mijn stede di beneven
Ic moet noch zinghen een liedekijn
Nochtan moet emmer ghestorven sijn

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
Du coors die doot du liets mi tleven
Dat was gheselscap goet ende fijn
Het sceen teen moeste ghestorven sijn

De polder is een bijna magisch tussengebied, een doorreiszone, waarvan ik wel eens denk dat het ooit eindstation wordt. Misschien wel omdat daar de Horizon stroomt. Dat moet ergens bij Emmeloord zijn, weet ik dankzij een ander lied dat we ook wel allemaal kennen. Magisch tussengebied omdat het water was, zee zelfs, en nu dus land. Maar voor het zover was, was het ook al land.

Ik herinner me een keer met Gerard dat we naar Friesland reden toen het had gesneeuwd, ergens in de jaren zeventig. Sneeuw lag op de omgeploegde akkers, maar de ruggen van de eindeloze stroken omgeploegde klei glommen zwart, terwijl de even eindeloze, evenwijdig lopende geulen daartussen wit waren. Door dat wit en zwart en ook door dat glimmen, wist je niet meer wat hoog en laag was en soms leek het of je langs, nee, over golvend water reed.

Een andere keer, jaren later, kwam er een stortbui over ons heen waar de ruitenwissers geen raad mee wisten. We reden dwars door het water.

 

Vanmorgen was dat niet zo. De wereld zag er in de polder vertrouwd en begaanbaar, reëel en overzichtelijk uit. Goed om daarbij Radio 4 aan te hebben met Margriet Vroomans en even de vrolijke Francis te horen.

Toen werd het Egidiuslied gezongen.

 

Ik moest aan Gerard denken. Die is nog niet dood, nog lange niet, nog lange niet. Vorige week ging het in ieder geval nog heel goed met hem, we waren een dagje bij elkaar. Als het mag van Rutte, gaan we volgende maand naar het Teylersmuseum. Dat doen we vaker, een museum bezoeken. Daarbij volgen we ons eigen tempo, maar regelmatig zoeken we elkaar op en wisselen wat uit. Op alle honderd woorden van hem krijgt hij er van mij hooguit tien terug.

 

Vorige week bij het bezoek, veranderde er iets. Toen Gerard en José weg waren, zei Mente dat Gerard echt mijn vriend was. Ook ik was dat in die uren steeds nadrukkelijker gaan beseffen en daarom was ik blij dat we alvast een afspraak voor een dagje samen hadden afgesproken, over een paar weken.

 

Vanmorgen, in de auto, toen we door de polder reden en het Egidiuslied gezongen werd, bedacht ik hoe verschrikkelijk het zou zijn als Gerard er niet meer zou wezen.

Een volgende keer wil ik nog beter naar zijn honderd woorden luisteren; misschien zeg ik er voortaan wel twintig terug of ik knik wat vaker instemmend als hij wat zegt.

Submit to FacebookSubmit to Twitter