door Len Borgdorff, 14 oktober 2020

Ter hoogte van de Balijelaan was ik de Da Costakade in gereden om al slingerend door de Dichterswijk bij het huis van vrienden terecht te komen. In de jaren dat ik aan die kant van de stad woonde, heb ik verschillende mensen in deze wijk gekend en dus kwam ik er regelmatig. Aanvankelijk leek die op een iets, maar nauwelijks, eenvoudiger variant van de Haagse noten- of vruchtenbuurt, maar dat veranderde in de loop der jaren. In de jaren tachtig zag de wijk er steeds minder aantrekkelijk uit en daarna kwam ik er niet meer.

(Ik had hier ook de Amsterdamse school moeten noemen. Daar zijn de huizen veel meer mee verwant, maar Amsterdam is nu eenmaal veel minder mijn referentiekader dan Den Haag.)

 

 

De hernieuwde kennismaking gisteren was een prettige. De huizen stonden er strak bij, de straten waren aangenaam en vanaf een bankje stak een jongen die met zijn hoofd tussen de speakers van een koptelefoon gevangen zat, vriendelijk glimlachend een hand op.

En toen was daar Isaac da Costa zelf. Ik trof hem aan op een gevel. Hij keek mij recht in de ogen, op precies dezelfde manier waarop hij ooit naar me keek toen ik nog op een Haagse middelbare school zat. In het lokaal waar ik Nederlands kreeg hing zijn portret. Het ging om dezelfde foto als nu.

Deze foto was veel groter, ik denk al gauw drie bij vier meter. Dat maakte zijn aanwezigheid op die gevel onontkoombaar, maar niet dat maakte de foto zo bijzonder. Het ging om de opbouw ervan. Hij was namelijk samengesteld uit honderden kleine fotootjes. Ik neem aan dat je die werkwijze wel kent. We vonden dat tien jaar geleden erg leuk. Op die kleine, als bouwstenen voor de grote Da Costa, gebruikte foto’s zag je de gezichten van mensen die aan de Da Costakade woonden. Of misschien waren het bewoners uit de hele Dichterswijk.

De onderkant van het portret kon ik met mijn hand niet aanraken, daarvoor hing de afbeelding te hoog. Maar daaronder stond in chocoladetterformaat een tekst van Da Costa:

 

Zoek d’ oorsprong van het dichterlijk lied,
gy, die my leest! in ’t dor geschiedboek niet!
De werkelijkheid van ’t dagelijksche leven
wordt moeielijk tot poëzy verheven!

 

Daarvoor was een slank, eigentijds lettertype gebruikt en dat was maar goed ook, want de teksten van Da Costa zoals ik die terugvind in de drie bundeltjes Kompleete Dichtwerken zien er wel heel erg 19de-eeuws uit en dan laten ze zich ook nog lezen op vergeeld papier.

De boekjes zitten nog goed in de band en de bladzijden vallen mooi open, maar je kunt ook zien dat ze ooit verschenen als deel 108 tot en met 110 van de zogenaamde Vijftig-Cents-Editie, die overigens wel vermeldt dat gebonden deeltjes uit die reeks 75 Cents kosten. Ik denk dat ik in januari 1973 hooguit een gulden voor de drie delen samen betaalde, maar toen waren die boekjes dus al honderd jaar.

 

De tekst op de gevel langs de naar de dichter genoemde straat oogt fris en dan staat er ook nog eens in iets minder kloeke letters een vertaling in het Turks naast. Dat doet recht aan de samenstelling van de bevolking in deze wijk.

Met de inhoud van de tekst ben ik het overigens niet eens, al wil ik daar deze keer geen punt van maken. Wat me ergert, is dat het hier niet primair gaat om een tekst die voortkomt uit de geest en de pen van Da Costa, maar om een vertaling die hij verzorgde van een gedicht van de Duitse dichter Müllner. Het kan best zijn dat Da Costa deze platoonse tekst vol verachting voor het grofstoffelijke aan zijn hart drukte, maar dan nog blijft het jammer dat men in een naar hem genoemde straat een productief dichter als Da Costa denkt te eren, niet met een eigen tekst maar met de vertaling van andermans werk. Dat is toch wel erg sneu.

 

Ik weet eigenlijk wel zeker dat Da Costa zelf met een veel beter alternatief gekomen zou zijn. Kortom: een prachtig initiatief, maar ik ben bang dat men niet de moeite heeft genomen om bij de keuze van deze regels eerst ook wat meer van zijn werk te lezen.

Jammer, heel jammer, en dan te bedenken dat die woorden al meer dan tien jaar levensgroot als een soort handtekening onder zijn portret staan.

 

Waarheid

 

Zoek d’ oorsprong van het dichterlijk lied,
gy, die my leest! in ’t dor geschiedboek niet!
De werkelijkheid van ’t dagelijksche leven
wordt moeielijk tot poëzy verheven!
En echter ’t is, ’t is Waarheid, wat de geest
in ’t droomgezicht der dichtvervoering leest!
’t Is Waarheid, ja, maar Waarheid uit den hemel,
en onerkend by ’t duizlend stofgewemel;
en ’t geen op aard voor ’t sterflijk oog geschiedt,
bestaat, als beeld daarvan, en, op zich zelve, niet!

   Naar het Hoogduitsch van

      MÜLLNER.

 

I. da Costa, Da Costa’s Kompleete Dichtwerken (I), verzorgd door J. P. Hasebroek. A.W. Sijthoff, Leiden [z.j.] 7

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter