door Len Borgdorff, 6 oktober 2020


Zo langzamerhand krijg ik het idee dat ik bij ieder gedicht van de tot voor een maand in mijn boekenkast vergeefs aanwezige Emily Dickinson een stukje zou kunnen schrijven. Wat een aanstekelijk spul.

 
In zijn essay over haar brengt Simon Vestdijk haar gedichten bij elkaar onder de noemer van het intentionele type. Hij zegt daarover onder andere: ‘De poëtische intentie, mits sterk geconcentreerd, is reeds poëzie, of beter: is het essentiële der poëzie, is het enige dat aan de poëzie betekenis verleent.’ Vervolgens vertelt hij wat het allemaal niet is.

 

 

Vestdijk neemt drie keer de helling van een korte omschrijving om duidelijk te maken wat hij met intentionele poëzie bedoelt. Het lijkt me wel duidelijk wat hij iedere keer zegt. Maar hij varieert volgens mij niet zozeer drie keer op hetzelfde thema omdat hij duidelijk wil maken wat hij bedoelt. Dat ook, ja ─ maar hij doet het vooral omdat hij zo enthousiast is over die poëzie. De grand old man zat een beetje te wippen op zijn stoel, stel ik me voor, toen hij deze woorden schreef en alles wat hij verder vertelt, is eredienst, behartenswaardig, én van bewondering bewogen ritueel. Prompt wordt de vergeten Vestdijk me er weer dierbaar door. Wacht… ik leg even een bundel van hem op mijn tafel, je weet maar nooit.

 

Ik weet niet of de term ‘intentionele poëzie’ geoor- of gewaarmerkt is, mij spreekt die in ieder geval bijzonder aan. Het is alsof iemand wat losse vormpjes heeft zitten knippen en die voor zich op tafel heeft gelegd om te kijken wat ervan te maken is. Even later zit diezelfde persoon ergens anders weer vormpjes te knippen en ook die komen op het tafelblad. Alsof de boel op de eerste tafel al klaar is en er niet nog een compositie van gemaakt zou moeten worden, alsof die losse delen niet de aanzet zijn voor een kunstwerk.

De kunstenaar is intussen als een eekhoorn die niet weet waar hij zijn noten heeft verstopt bezig met een volgend project. Het vorige is voorbij.

En wij, de lezers, zijn de vinders, van die losse stukken die, het lijkt wel toevallig, bij elkaar liggen. We zien ook wel dat er hier en daar nog iets in- of aangevuld zo kunnen of moeten worden, maar dat doen we ook, niet op het tafelblad, maar stiekem, in ons hoofd. De zogenaamde onafheid nodigt lezers uit zelf ook een beetje dichter te worden. Dat houdt de poëzie van Dickinson zo jong.

 

We hebben de losse beelden, de streepjes die telkens weer een andere functie hebben, de merkwaardige tegenstelling en verrassende wendingen. En dan is er ook nog de taal. In het Engels regelt een enkel woord of korte woordgroep de betekenis, waar in het Nederlands uitgebreidere zinsstructuren van stal gehaald moeten worden. Iedereen die wel eens een gedicht of lied uit het Engels vertaalt en zich aan de vorm wil houden, krijgt te kampen met een teveel aan lettergrepen in een regel. En dan is het Engels als taal ook conservatiever, wat juist betekent dat negentiende-eeuws Engels veel moderner klinkt dan het Nederlands van honderdvijftig jaar terug. Dat maakt de prestatie van vertaler Peter Verstegen nog indrukwekkender, al lijkt het ook in zijn eigentijdse vertaling alsof die van ouder datum is dan het origineel. Jammer voor Verstegen, veelzeggend voor het werk van Dickinson.

 

Het gedicht waarmee ik het reeksje rond Dickinson afsluit, is niet haar beste, maar het sluit wel te mooi aan bij wat ik hierboven heb menen te moeten verstaan onder intentioneel dichterschap om het niet te gebruiken, en dan: het is en blijft een Dickinson.

 

He ate and drank the precious Words
His Spirit grew robust;
He knew no more that he was poor,
Nor that his frame was Dust.
He danced along the dingy Days,
And this Bequest of Wings
Was but a Book. What Liberty
A loosened spirit brings!

 

Lees vertaling

 

Hij at en dronk het kostbaar woord

 

Hij at en dronk het kostbaar Woord ─

Zijn Geest werd weer gezond ─

Hij wist niet van gebrek meer, noch

Dat hij uit Stof bestond ─

Hij danste door de vale Dag,

’t Paar Vleugels hem Vermaakt

Was maar een Boek ─ Zo’n Vrijheid krijgt

Geest die is vrijgemaakt ─

 

Het lijkt me niet moeilijk om in ‘the precious Words’ de Bijbel te zien.

Nu lezen mijn geliefde en ik iedere dag een stukje uit de Bijbel en we worden er doorgaans niet vrolijk van, van de vooringenomenheid, de hardheid, de primitiviteit ook die je erin kunt tegenkomen.

 

Maar er zijn momenten waarop er een licht valt op diezelfde bijbelwoorden ─ of juist heel andere woorden uit diezelfde verzameling van bijbelboeken ─ waardoor we er weer even mee vooruit kunnen.

In het commentaar van Verstegen bij dit gedicht lees ik: ‘Op de meest uiteenlopende plaatsen […] noemt [Dickinson] de toon van de bijbel “ondeugend” of “jubelend” of “jongensachtig”. In ieder geval liet ze toe dat het boek op die manier tot haar sprak, toen ze eenmaal over het gevoel uit haar jeugd heen was gekomen dat het ging om een “dor boek”.

Hieruit begrijp ik dat Dickinson niet alleen een intentionele dichteres was, maar ook een intentionele lezer. Dat is een lezer die ‘meeschrijft’. En inderdaad, daar word je vrolijk van.

 

Emily Dickinson, Verzamelde gedichten. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot, Amsterdam 2011.

S. Vestdijk, Lier en lancet deel I. Nijgh & Ditmar, ’s-Gravenhage / Rotterdam [z.j.]

J.H. Leopold, Verzen. W.L & J. Brusse, Rotterdam 19202.

 

De foto bij dit stukje is een deel van het omslag van Liter 61, een ontwerp van Steven van de Gaauw, de man die al het ontwerp van alle honderd Liters verzorgd heeft (en ook deze site).

Submit to FacebookSubmit to Twitter