door Len Borgdorff, 30 september 2020


Op graven in Frankrijk zie je wel crucifixen liggen waarvan het corpus half van het meestal op een grafsteen liggende kruis is afgegleden. Alsof Christus al aan zijn opstanding wilde beginnen voordat hij in het graf gelegd zou worden. Een vriendin had ooit een crucifix op de schoorsteen staan zonder corpus. Dat wil zeggen: Christus leek zich met succes van het kruis te hebben losgerukt, maar dat kostte hem wel een hand. Er hing nog een klein handje aan het kruis op de schoorsteen. Het was de linkerhand, weet ik nog.

De vriendin was toen nog wel enigszins in de Heer, maar het grote rukken was al begonnen en niet lang daarna verdween zij moedwillig uit de schare der uitverkorenen.

Wie het geloof vaarwel zegt, blijft zitten met een ontbrekende hand.

 

 

Twee vriendjes van de lagere school, broertjes, hadden een vader die in de oorlog zijn linkerhand was kwijt geraakt. Er werd nogal zwijgzaam over gedaan. Dat gebeurde altijd bij mensen die in de oorlog waarschijnlijk fout waren geweest.

 

Ik vond hem bijzonder aardig en zijn zoons waren dol op hem. Vooral de oudste vertelde telkens weer hoe sterk zijn vader wel was. Hij kon met die ene hand van hem heel makkelijk zijn twee jongens hoog boven zich uit tillen, vertelde hij bijvoorbeeld. Dat zag ik mijn vader niet doen. Die had daar geen behoefte aan. Mijn vader fietste ook vrijwel nooit en dat deed de onthande held van mijn vriendjes wel. Zelfs op- en afstappen deed hij met het grootste gemak.

Al met al was ook hier de afwezige hand zeer aanwezig.

 

Dat is ie daarom ook in dit gedicht van Emily Dickinson.

 

Those ─ dying then,

Knew where they went ─

They went to God’s right Hand ─

That Hand is amputated now

And God cannot be found ─

 

The abdication of Belief

Makes the Behavior small ─

Better an ignis fatuus

Than no illume at all ─

 

Lees vertaling

 

In de vertaling van Peter Verstegen lezen we:

 

Wie ─ stierf weleer

 

Wie ─ stierf weleer

Wist waar hij ging ─

Naar Godes Rechterhand ─

Die Hand is nu geamputeerd

En geen die God nog vindt ─

 

Dat Geloof de troon afstond is waar

Gedrag zo klein door is ─

Een dwaallichtje is beter dan

Complete duisternis ─ 

Van de hand van God hebben we een heel duidelijk beeld sinds Michelangelo die schilderde voor De schepping van Adam. Het is de hand die leven geeft aan mensen, maar ook de hand waarmee God mensen tachtig jaar later uit het aardse moeras optrekt, om ze vervolgens aan diezelfde hand naast zich neer te zetten, bij God op de bank. Maar dat lukt dus niet meer, volgens dit gedicht.

 

Er zijn zoveel variaties op die handen van Michelangelo dat het weinig moeite zal kosten om je ook een variant voor te stellen waarbij Gods rechterarm niet uitloopt op een reddende hand maar abrupt stopt bij de pols.

 

Bij Dickinson kom je doorgaans allesbehalve terecht in het planetarium van de Sixtijnse Kapel. Je komt in een kleine, mensenschuwe, wereld die zij voor zichzelf creëerde, een afgezonderde kamer met een bordje Niet Storen op de deur. Ik kan vrolijk worden van de springerigheid van haar taal en haar beelden en daarom betrap ik me op de neiging om van Dickinson een vrolijke, creatieve, meisjesachtige geest te maken, waar we eerder de maken hebben met een eenzelvige, sombere vrouw.

 

Ook van dit gedicht word ik vrolijk: eerst die geamputeerde Hand, waarvan we ooit hoopvol zeiden: ‘zittende ter rechterhand Gods’, en daarna die wending, al is dat woord veel te groot, voor wat niet meer is dan een tegenbeweging, een kleine zucht die desondanks in staat is om misschien, misschien, het voorgaande te ondergraven, en dat in de gestalte van een dwaallicht.

Ik heb nog even zitten twijfelen of ik in dit verband wel het woord ‘gestalte’ kon gebruiken, want wat is de gestalte van een dwaallicht?

 

Emily Dickinson, Verzamelde gedichten. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot, Amsterdam 2011.

Submit to FacebookSubmit to Twitter