door Len Borgdorff, 23 september 2020


Ligt het aan mij? Bij de gedichten van Emily Dickinson heb ik steeds een beeld van de maakster voor ogen. De gedichten zijn die van een negentiende-eeuwse vrouw, een slanke dame. In een Amerikaanse tuin, al zag ik haar vorige week een wandeling maken bij Oud-Zuilen, waarbij ze voor een incarnatie van Belle van Zuylen speelde.

De biografie vertelt dat Dickinson niet haar leven lang een vrouw van even in de dertig was, maar wel dat ze in later jaren steeds minder van haar kamer kwam. Maar ik zie haar jong zijn en ze wandelt. Ik kan even niet zo gauw een oeuvre bedenken waarbij ik zo nadrukkelijk moet denken aan de maker of maakster ervan.

 

 

Die hardnekkigheid, die soms geen recht doet aan de waarheid of de werkelijkheid speelt me ook parten in dit gedicht:

 

Perhaps I asked too large ─

I take ─ no less than skies ─

For Earths, grow thick as

Berries, in my native Town ─

 

My basket holds – just – Firmaments ─

Those ─ dangle easy ─ on my arm,

But smaller bundles ─ Cram.

 

Weer zie ik Dickinson als een, laten we zeggen, als een soort Roodkapje met een mandje aan haar arm en ze loopt door de rand van een bos en ze plukt bosbessen. Dat beeld krijg ik niet weg. Het is een aantrekkelijk beeld, vooral omdat ik zie hoe Dickinson zich bukt om de bessen te plukken. Voor ik aan dit stukje begon, liep ik nog even mijn eigen tuin in en raapte daar noten die de afgelopen nacht uit de walnootboom gevallen zijn. Dat is aangenaam werk, wat ook geldt voor het nu voorbije plukken van bramen, of bosbessen dus.

Maar Dickinson plukt helemaal geen bessen en ze wil ze ook niet in haar mandje. In mijn kop is het onheil al geschied. Vertel wat goed is en laat achterwege wat dat niet is, zegt de didacticus in me. ‘Zet nooit op een bord wat fout is, maar alleen wat goed is, want leerlingen gaan met het verkeerde beeld aan de haal.’

Zoals hier, want intussen heb ik Dickinson opgezadeld met een mand vol bessen, terwijl ze dat juist niet wilde. Het zou niet eens moeten kunnen lees ik zelfs. Maar het is haar eigen schuld.

Nu we dan toch kijken naar de mand vol bessen, die er dus niet is, kunnen we constateren dat ze ze ook helemaal niet geplukt heeft, die bessen. Ze zegt alleen maar dat Aardes dicht opeen groeien, als bessen en dat haar mandje zich daarvoor niet leent.

Aardes groeien dicht opeen als bessen, ‘in my native Town’. Dat moet dan wel een verstikkende omgeving zijn, een al te gunstig milieu voor benepen wereldjes.

 

Als bagage draagt Dickinson liever hele firmamenten mee, die klemmen zich niet dicht op elkaar zoals bessen in een mandje kunnen doen.

Waaruit die firmamenten bestaan, weet ik niet. Als ik niet oppas kom ik uit bij grote, vaak luchtledige woorden als liefde, gerechtigheid, verbondenheid. Of ik doe de bessen af als de aardse schaduwen van de hogere Ideeën die Plato omarmde. Ik weet het niet.

 

Wel hoop ik dat het gedicht ergens in het zwerk van mijn bovenkamer wil verwijlen om tevoorschijn te komen als ik daar behoefte aan krijg. Want zo’n gedicht is het.

 

Nog even in verband met de de vertaling van Verstegen. Het mandje zou te klein zijn voor al die ‘dorpse’ aardes. Verstegen vertaalt ‘my native Town’ met ‘mijn Dorp’. Dat lijkt me goed, zoals ik het ook prettig vind dat hij het niet heeft over geboortedorp. Sinds Wim Sonneveld betekent ‘dorp’ al heel snel geboortedorp, plek waar je aan vastgespijkerd zit of zat, plaats die je achter je liet en waar je desondanks aan vast zit.

Dat wilde ik helemaal niet zeggen. Ik wilde zeggen dat Verstegen het gedicht laat eindigen met een ellips. En daarmee onderstreept hij taalkundig wat er over een mand met bessen wordt gezegd. Verstegen heeft geen ruimte voor woordjes als ‘is die’.

 

Misschien vroeg ik te ruim

 

Misschien vroeg ik te ruim ─

Mijn minste wens ─ een zwerk ─

Want Aardes, groeien

Dicht opeen als bessen, in mijn Dorp ─

 

Mijn Mand draagt ─ enkel ─ Uitspansels ─

Die ─ lichtjes schommelen ─ aan mijn arm,

Voor kleiner vracht ─ te Krap.

 

Vertaling Peter Verstegen

 

 

Emily Dickinson, Verzamelde gedichten. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot, Amsterdam 2011.

Submit to FacebookSubmit to Twitter