door Len Borgdorff, 9 september 2020


Vijf centimeter is doorgaans niet veel. Niet als ik moet aangeven hoe lang de tafel is waaraan ik zit, maar wel als ik een roodborstje meet. Vijf centimeter is ook veel voor een dichtbundel. Ik heb het over de dikte ervan. Om je ter wille te zijn meet ik de bovenste plank van mijn kast met dichtbundels en ik kom op 176,5. Daar haal ik de dikte van de drie staanders vanaf. Zo wordt het tien centimeter minder. Omdat ik nu toch sta, tel ik meteen hoeveel bundels er op de bovenste plank staan: 196. Laat ik het mezelf niet te moeilijk maken en uitgaan van 200, en dat op 180 cm. Dat betekent dat op de bovenste plank een dichtbundel gemiddeld zo’n 1,8 cm dik is. Dat komt niet overeen met de werkelijkheid. De meeste bundels zijn dunner, maar een paar zijn er juist weer dikker dan de meeste andere, veel dikker zelfs. Het is met dichtbundels een beetje zoals het met de manier waarop rijkdom over de mensen is verdeeld: gemiddeld ziet het er wel aardig uit, maar er zijn een paar dikke die zorgen voor een vertekend beeld.

Met 6,3 is ‘Buddingh’ gebundeld’ de allerdikste. Bij Herman de Coninck met zijn 5, 5 twijfel ik. Om te voorkomen dat de ruggen zouden verschieten heb ik de cassette waarin de twee delen van zijn verzamelde gedichten gestoken zijn achterstevoren gezet. Dus nee, die telt niet mee.

Dat betekent dus dat Buddingh’ de dikste is van de bovenste plank. En op twee staat de ‘Verzamelde gedichten’ van Emily Dickinson. Het is een editie uit 2011. Ik zal hem niet meteen gekocht hebben, maar een jaar of zeven staat die intussen wel in de kast.

Er is een groot verschil tussen de nummer 1 en 2 op die bovenste plank. In die zin dat ik van Buddingh’ het meeste werk al wel gelezen had, zelfs als dichtbundel in de kast had staan toen zijn kloeke editie uitkwam. Dat geldt niet voor de gedichten van Emily Dickinson.

 

 

Enkele vrienden om mij heen zijn gecharmeerd van haar poëzie. Daarom las ik wel eens iets van haar, maar zonder overtuiging. De aanschaf van haar verzamelbundel was dan ook vooral een uiting van goede wil: heus, ik zou haar werk wel eens gaan lezen. Maar dat zou meer zijn omwille van die paar dierbare vrienden. Ik bleef hangen aan de grilligheid. En waar was de melodie?

 

Zo staat de poëzie van Dickinson al jaren ongelezen, maar wel bovenaan en manifest in de poëziekast.

 

Gisteren struikelde de wereld over de drempel van de slaapkamer. Ik telde mezelf op in termen van hoofdpijn, weeheid, moeheid. Bij elkaar opgeteld kwam dat neer op algehele lamlendigheid. Die overigens niet ernstig genoeg was om niet uit bed te stappen en die baksteen van Dickinson eindelijk eens uit de kast te halen.

 

Aan systematisch lezen ben ik nog niet toegekomen. Wel heb ik de biografische schets gelezen waarmee Peter Verstegen de kloeke bundel afsluit. Dat is één. Tussendoor las ik links en rechts wat van Dickinsons gedichten. Dat laatste bleef ik vervolgens doen, maar nu combineerde ik dat met het commentaar dat Verstegen bij elk gedicht schreef. Commentaar en biografische schets beslaan de helft van het boek en zijn dus samen 2,5 cm dik, als er niet iemand gaat zeuren over de dikte van het kaft. Wat een indrukwekkende arbeid heeft Verstegen trouwens verricht.

De andere helft van het boek bevat dus een groot deel van de 1800 vaak tamelijk korte gedichten die Dickinson in een periode van 30 jaar schreef.

 

Ook begon ik te lezen in het eerste deel van Lier en Lancet, een bundel essays van Simon Vestdijk. Dat is alweer een boek dat al jaren in de kast staat, het dateert uit de tijd dat ik de datum van aanschaf nog in een boek schreef: 15 september 1976. Ik maak me sterk dat ik het tweedehands gekocht heb voor een kwartje. Het is een tweede druk. Het stofomslag is een beetje beduimeld, maar het boek zelf geeft de indruk dat er nog nooit in gelezen is. Niet door mij, maar ook niet door de eerste eigenaar. Ik heb een tweede, naoorlogse druk, maar het eerste essay daarin komt uit 1932 en dat gaat over de poëzie van Emily Dickinson.

En daar zit ik nu midden in, in dat essay van Vestdijk én in de poëzie van Dickinson. Eén ding is me al wel duidelijk: in deze wereld wil ik wel een tijdje ronddolen.

Ik denk dat mijn vrienden gelijk hebben. Jammer dat ze me dat niet wat dwingender duidelijk hebben gemaakt.

 

Mooie regels zijn die van J.H. Leopold, je zult ze wel kennen:

 

`O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.

 

En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn'.

 

Ze spelen me regelmatig door het hoofd, deze woorden uit 1912. Maar waarom deden deze woorden van Dickinson dat niet?

‘If I shouldn't be alive
When the Robins come
Give the one in Red Cravat
A Memorial crumb

If I couldn't thank you
Being fast asleep
You will know I'm trying
With my Granite lip!’

 

Het lijkt wel of ik Vestdijk hoor mompelen: ‘Je hebt wat gemist.’

 

 

Emily Dickinson, Verzamelde gedichten. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot, Amsterdam 2011.

S. Vestdijk, Lier en lancet deel I. Nijgh & Ditmar, ’s-Gravenhage / Rotterdam [z.j.] 2

J.H. Leopold, Verzen. W.L & J. Brusse, Rotterdam 19202.

Submit to FacebookSubmit to Twitter