door Len Borgdorff, 1 september 2020

 

In dromen kom ik de ingewikkeldheid van het bestaan nog wel eens tegen. Dat is een ingewikkeldheid die ik overdag, in wakende toestand, ook ervaren kon toen ik nog veel meer haren op mijn hoofd had om te kammen dan nu. Het was niet de veelheid van wat zich simultaan van boven naar onder, van links naar rechts, binnen naar buiten, groot klein, bestaand onbestaand, en noem maar op, aan je opdrong. Niet de veelheid alleen tenminste en ook niet het chaotische daarvan. Het was de samenhang ervan. Welk punt in dit universele web ook werd beroerd, aan welk draadje ook werd getrokken, alles in dit organisme dat micro- en macrokosmos tegelijk was, reageerde erop. Kromp. Zette uit. Verdampte. Bevroor. Was pijn.

Tegelijkertijd was wat zich voordeed beeld van iets anders. Een landschap was een vrouw, een vrouw de wereld, het licht was God, was ik, was ik juist niet, en God was een samengestelde zin van één woord. En omdat alles, en ook leven, dood, verleden, heden, vader, moeder, kind en oceaan en logaritme of druppel, behalve zichzelf ook iets anders was of iets anders wilde betekenen of tekenen kon ik regelmatig zelden anders dan droevig en met maagpijn de dagen door zien te komen.

 

 

Ik heb dat niet meer zo, behalve in dromen dan. De wereld is er niet eenvoudiger op geworden, maar ik ben dat wel. Het voelt als een beetje dommer geworden, al is dat niet het goede woord.

 

Er is een mooi verhaal van Nabokov, Signalen en symbolen. Daarin komt het woord ‘betrekkingswaan’ voor als aanduiding voor een ziekte waarbij iemand het idee heeft dat iedereen en vooral alles het op jou voorzien heeft en ook uitdrukkelijk samenspant om jou te belagen. In het verhaal zit de jongen met die aandoening in een psychiatrische inrichting.

Zover wil ik niet gaan met de ‘je’ en de ‘we’ in de bundel In het vlees van Roelof ten Napel, maar die betrekkingswaan is daarom wel een fraai woord. Heden, verleden, geloof, ongeloof, jezelf zijn, niet jezelf, vader, moeder, kind, ook in Ten Napels enorme stroom van gedichten loopt alles door elkaar en heeft alles betrekking op elkaar en op het lyrisch ik, al kom je die vooral tegen als ‘je’ en ‘we’. Dat is bij uitstek een hebbelijkheid van poëzie.

 

Gedichten proberen greep te krijgen op de werkelijkheid, waar andere dan poëtische middelen ontoereikend zijn. Je kunt misschien wel zeggen dat poëzie het laatste middel is om te zeggen wat zich niet laat zeggen, vat te krijgen op wat onvatbaar is. Dat lukt natuurlijk niet, maar verder dan dat kunnen we blijkbaar niet komen. Dat maakt dichten tot gereedschap op leven en dood. Zwaar spul dus.

 

En was poëzie nou nog maar een metataal, maar zo is het niet. Over muziek kun je praten, over beeldende kunst ook. Toereikend zal dat niet wezen maar woorden zijn geen verf, geen toon. Maar in gedichten zijn de woorden over de in woorden vervatte beelden, gedachten, gewaarwordingen zelf ook woorden en dat maakt dat een poëtische verwoording deel is van die poëzie.

 

[…] een snijdende pijn is iets anders

dan een in vlees bewegend mes

 

Dat zegt Ten Napel ergens aan het begin van de bundel. In poëzie is dat niet zo. Woorden die als een mes de snijdende pijn verwoorden, zijn dat namelijk wel: én de pijn én het mes.

Of nee, zijn noch het een, noch het ander. Het zijn woorden.

 

Dat is inherent aan literatuur. In het verhaal van Nabokov – ik zou het maar eens lezen als ik jou was – gaat het over de signalen en symbolen zoals de zieke jongen die ervaart, maar het verhaal zelf is een en al manifestatie van een wereld waarin alles op elkaar betrekking heeft.

 

Ik ga nog even terug naar In het vlees, dus naar de bundel die ook ‘Van het woord’ had mogen heten, al was het maar om duidelijk te maken hoe poëzie en religie kunnen schuren en zelfs door elkaar kunnen lopen. Ten Napel neemt in zijn bundel (nog steeds) afscheid van een wereld die daarin tegelijkertijd tot leven wordt geroepen en dat is een wereld die hijzelf is of is geweest, met een hem dierbare God die er niet is, maar die onverdroten afwezig door zijn aderen stroomt.

 

Een schimmenspel? Een slechte droom? Een leeftijdsdingetje? Iets wat een vent als ik al lang achter zich heeft gelaten?

Misschien. Maar hoe dan ook iets dat me bij het lezen weer in het gezicht springt. Zo was het. Zo is het. Zoiets.

 

Sonnet XV

 

wat voorbijgaat verlies je

wat blijft verliest je ─

is er iets anders dan dat?

 

denk aan al dat dagelijkse:

 

je stoten tegen een kastje,

wachten om over te steken,

eerder moe zijn dan je stoppen moet, of

plotseling een bekende voorbij zien fietsen,

zwaaien, je afvragen

wanneer het voor het laatst was dat je die

sprak  ─ één, anderhalf jaar geleden?

 

je afvragen of de gewaarwording iets te zijn kwijtgeraakt

aantoont

het eerder te hebben gehad

 

Roelof ten Napel

 

 

Roelof ten Napel, In het vlees. Gedichten. Hollands Diep, Amsterdam 2020.

Vladimir Nabokov, Signalen en symbolen, vertaling: Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. In: Verhalen 2. De Bezige Bij, Amsterdam 1996

Submit to FacebookSubmit to Twitter