Sander Bax over De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld. Gepubliceerd in Liter 93.

 

‘De dood komt altijd op klompen.’ Aan die uitspraak van haar vader denkt Jas, de hoofdpersoon van Marieke Lucas Rijnevelds roman De avond is ongemak, op het moment dat het gezin geconfronteerd wordt met het feit dat de mond-en-klauwzeercrisis ook ‘ons dorp’ niet zal overslaan. Het is 2001. De roman speelt zich af op een van de boerderijen waar koeien met koorts rondlopen en waar de hele veestapel geruimd wordt. De lezer ervaart de effecten van deze (ook destijds al behoorlijk omstreden) politieke maatregel door de ogen van de dochter van het gezin. De veearts legt haar uit dat de dieren misschien wel beter kunnen worden, maar dat de ziekte te besmettelijk is en dat de boeren er te veel verlies door leiden. 

Ik knik, al begrijp ik het niet. Nu maken we toch een groter verlies? Al die dampende lijven waar we zoveel van houden zullen straks doodgemaakt worden. Het is net als bij de Joden, alleen werden die gehaat en dan ga je erger dood dan wanneer je uit liefde en onmacht het graf vindt.

Zo redeneert dit meisje van twaalf dat de verteller van de roman is. In haar hoofd associeert ze van alles met elkaar: wat er in haar directe omgeving gebeurt, verbindt ze met de verhalen die ze gehoord heeft over de Tweede Wereldoorlog, over Anne Frank en over Adolf Hitler. In het verhitte debat in 2001 werd ook zo nu en dan gesproken over ‘de holocaust van het vee’. Destijds waren die uitspraken aanleiding tot verontwaardiging. Maar de uitspraak krijgt een andere – minder polemische – lading als de auteur deze gedachte in de mond legt van een jong meisje in wier hoofd haar persoonlijke ervaringen resoneren met wat ze bij de geschiedenisles heeft geleerd. 

 

Met deze manier van vertellen raken we aan de kern van de roman. Rijneveld kiest er consequent voor om de wereld te beschrijven vanuit het perspectief van een meisje van tien (in groep 7), deel 1, en later twaalf (in de brugklas), deel 2 en 3. Het is een meisje dat zich in twee werelden bevindt: enerzijds is dat de wereld van het gereformeerde boerenleven en anderzijds is dat de moderne wereld waarin fireballs gegeten worden, waarin gegoogled wordt en waarin het Sinterklaasjournaal met Dieuwertje Blok van groot belang is. Het perspectief is meestal overtuigend – zou ik zeggen – omdat de lezer meegezogen wordt in de blik en de ervaring van het meisje. Zo nu en dan echter vraag je je als lezer wel af of haar gedachten niet wat al te naïef zijn voor de leeftijd die ze in het boek heeft. Op die momenten ondermijnt de constructie van het boek iets te veel de werkelijkheidsillusie. 

De avond is ongemak is een somber boek. Het gezin dat in dit boek centraal staat bestaat naast hoofdpersoon Jas uit vader, moeder, oudere broer Obbe en zus Hanna.  Maar het belangrijkste personage is oudste broer Matthies, wiens lege stoel elke avondmaaltijd overschaduwt. Aan het begin van het boek lezen we hoe hij tijdens een schaatstochtje in een wak terechtkomt en overlijdt. Vanaf dat moment raakt het gezin ontwricht en raakt Jas steeds verder in zichzelf gekeerd. Ze prikt een punaise in haar navel en draagt voortdurend een jas om dat voor anderen te verbergen en omdat ze denkt dat die jas haar beschermt tegen ziekte en gevaar (daarom noemt men haar Jas). Ze kan niet meer poepen en vlucht steeds vaker in een fantasiewereld met haar konijn Dieuwertje (vernoemd naar de al genoemde presentatrice van het Sinterklaasjournaal).

Deze tragedie speelt zich af in een conservatief protestants-christelijk dorp (dat niet bij name genoemd wordt). De mensen in het dorp plaatsen zichzelf tegenover de mensen aan ‘de overkant’. Voor de kinderen uit het gezin ademt die ‘overkant’ bevrijding: het is de plek waar ze naartoe willen vluchten om te ontkomen aan de negativiteit die hen omringt. Tegelijk is het ook een gevaarlijke plek: Matthies was op weg naar de overkant toen hij omkwam. Alsof hij gestraft werd voor zijn poging om de wijde wereld te betreden. Straf en schuld spelen een sleutelrol in de roman. Het sterven van Matthies vindt plaats in de kerstperiode. Jas was bang dat haar konijn de kerst niet zou overleven: ‘en ik vroeg aan God of hij niet alsjeblieft mijn konijn maar mijn broer Matthies kon nemen: “Amen.”’ Zo geschiedde. Vanaf dat moment voelt ze zich schuldig en verwacht ze keer op keer gestraft te worden. Het is dus niet vreemd dat het meisje zo ontregeld raakt in de periode na de dood van haar broer. Niet alleen haar ouders vinden geen uitweg meer uit het verdriet, ook gaat zij zich uit schuldgevoel steeds meer voor hen verstoppen.

In deze periode raakt de opgroeiende Jas geïnteresseerd in seks. Ze ontvreemdt twee padden om hun paargedrag te bestuderen. En in bed ontdekt ze haar eigen seksualiteit door met haar onderlijf over haar beer te wrijven. Als haar moeder haar daarbij betrapt, valt het woord ‘walgelijk’ en wordt de beer gewassen en aan de waslijn gehangen. Haar moeder leert haar vrij expliciet dat seksualiteit iets zondigs is dat je in het verborgene dient uit te leven.

Van Obbe leert ze andere lessen: bij hem gaan seksualiteit en geweld hand in hand. In dezelfde scène waarin hij zijn zusje vertelt dat hij met zijn handen aan zijn piemel zit waarna er wit spul uitkomt, verdrinkt hij ook een hamster in een glas water. Later bevredigt hij zijn zusje Hanna met de lipjes van colablikjes en zullen Obbe en de hoofdpersoon haar vriendin Belle op de achterkant van een nepkoe zetten, waarna Obbe stierensperma bij haar naar binnen brengt (en er ook niet heel goed over nadenkt dat waterstof een vrij negatieve uitwerking heeft op de menselijke huid).

Het geweld van Obbe richt zich op dieren en in deze cruciale scène zien we hoe hij ook het meisje als een dier behandelt. Hanna en Jas werpen zich vaak op als handlangers die gefascineerd kijken naar wat hun verknipte broer allemaal uithaalt. Er is een zekere solidariteit tussen hen. Die solidariteit komt voort uit het feit dat ze allemaal het gevoel hebben gevangen te zitten en dat zij zich voortdurend verantwoordelijk en schuldig voelen. De indrukwekkende scène waarin het moment beschreven wordt dat de koeien van de boerderij geruimd worden (onder protest van vader en Obbe en de omringende boeren) eindigt met de zin die duidelijk maakt dat de hoofdpersoon dit onheil ziet als een gevolg van wat zij eerder gedaan hebben. ‘Konden we onze lichamen maar zo van onszelf ontdoen, vrij van de smet die op ons ligt.’ 

Vader en moeder worden steeds somberder. Vader wordt nog zwijgzamer, moeder wil er niet meer zijn. Beide ouderlijke reacties geven de kinderen het gevoel dat zij niet bestaan, dat zij hun ouders niet tot last mogen zijn, dat ze zich zelfs schuldig moeten voelen over het feit dat ze er nog zijn. Als moeder op een gegeven moment aangeeft dood te willen, reageert Obbe woedend.

‘Ga dan toch lekker dood.’
‘Obbe!’ fluisterde ik. ‘Dadelijk breekt ze.’
‘Zie jij hier iemand breken? Het enige wat hier breekt zijn wij’

Op een zeker moment besluit haar vader dat hij de volgende dag haar jas uit gaat doen. Die onzin heeft nu wel lang genoeg geduurd. Jas is bang dat hij dan de punaise gaat ontdekken. Dat is het moment waarop ze besluit om definitief te verdwijnen. Ze neemt haar padden en vertelt ze dat ze voorgoed vertrekken. Ze klimt in de vrieskist, gaat tussen de kerststollen liggen. ‘Zonder er verder nog over na te denken, schop ik met mijn voet de stok tussen de klem vandaan en fluister: “ik kom eraan, lieve Matthies.” Een harde klap volgt, het vriezerlichtje floept uit. Het wordt pikkedonker en stil. IJzig stil.’ 

De roman met dit indrukwekkende slot kan wat mij betreft op verschillende manieren gelezen worden. In de eerste plaats is het een roman waarin wordt geschreven over de problemen van het opgroeien in een conservatief (vaak gereformeerd) milieu. Rijneveld voegt zich daarmee in de traditie van Wolkers, ’t Hart, Siebelink en Treur. Wat daarbij opvalt, is dat De avond is ongemak zich vrij conventioneel voegt in het sjabloon van het genre. De drukkende sfeer, de afstand tot de ouders die hun kinderen niet begrijpen, zo nu en dan komen er wat moeilijk te doorgronden volwassenen voorbij. Religie komt in deze roman daardoor vooral naar voren als ‘opium voor het volk’: iets voor naïeve en eenvoudige mensen, iets waar je aan zou moeten willen ontsnappen maar dat je uiteindelijk verdoemt.

Daarmee kiest Rijneveld voor een heel andere aanpak van deze problematiek dan Maarten van der Graaf deed in Wormen en engelen. Van der Graaf pleit daarin voor een nieuw perspectief op de omgang met het religieuze verleden en hij presenteert religie niet zozeer als iets wat nog vooral beleden wordt in ‘ons dorp’, maar hij denkt erover na als een fenomeen dat ook in de wereld van de 21e eeuw een functie zou kunnen hebben. Waar Wormen en engelen de religieuze achtergrond reflectief benadert, daar schetst Rijneveld in De avond is ongemak via een noodlottig plot en door het voortdurend schetsen van een zeer benauwende sfeer het geloof vooral als iets wat de mensen neerdrukt en gevangen houdt. 

De roman kan ook gelezen worden als een verhaal over ontluikende seksualiteit. Het is de combinatie van religie en seksualiteit die maakt dat menig criticus Rijneveld heeft binnengehaald als de nieuwe Wolkers – niet in de laatste plaats omdat de auteur zelf heeft verteld de roman geschreven te hebben met een poster van een al dan niet instemmend kijkende Wolkers boven haar schrijftafel. Mijn indruk zou zijn dat broer Obbe in het verhaal vooral de Wolkers-rol speelt: hij is degene die obsessief met dieren bezig is, hij is degene die de noties van seksualiteit, offer en dierenleed bij elkaar brengt. Wat de hoofdpersoon van de roman betreft, is het vooral de manier waarop ze haar geestelijke crisis op haar eigen lichaam botviert, die indruk maakt. De punaise in haar navel, het ingaan op de sadistische spelletjes van haar broer, haar observaties van de al dan niet parende padden en natuurlijk de manier waarop ze haar lichaam koud maakt aan het einde. Ik heb de indruk dat Rijneveld hierin het meest origineel is: de manier waarop zij de ervaringen van dit meisje fileert en blootlegt, heeft iets genadeloos.

Ten derde kan de roman gelezen worden als een literair commentaar op de politieke omgang met boerenfamilies. Het opduiken van de mond-en-klauwzeercrisis in de roman had voor mij als lezer – hoe vreemd dat ook klinkt – een bevrijdend effect. De wereld van ‘ons dorp’ die Rijneveld tot dan toe heeft gecreëerd, was zo in zichzelf gekeerd, zo benauwend, zo afgesloten van de ‘overkant’ dat je het er als lezer zelf ook benauwd van krijgt. En dan plotseling is het de overkant zelf – in de vorm van politieke beslissingen en de uitvoerders van die beslissingen – die het besloten leven binnendringen en het gezin de beslissende klap geven.

Voor mij is het deze dimensie die het boek meer maakt dan de zoveelste typisch Nederlandse afscheid-van-de-religieroman. Rijneveld weet indrukwekkend te laten zien wat er schuilgaat achter Wikipedia-zinnetjes als ‘In 2001 werden er tijdens de mkz-crisis op ongeveer 2600 bedrijven in totaal 260.000 evenhoevigen afgemaakt.’ Voor de kinderen op de boerderij is het veel meer dan zo’n simpel, zakelijk nieuwsfeit. Het is simpelweg een voortzetting van de neergaande spiraal die hun dagelijks leven al langer was. Het citaat waarmee ik afsluit, laat dat zien. 

In verlies vinden we onszelf en zijn we wie we zijn: kwetsbare wezens als uitgeklede spreeuwenjongen, die zo nu en dan naakt uit hun nest vallen en hopen dat ze weer opgepikt worden. Ik huil om de koeien, ik huil om de drie koningen, uit medelijden, en vervolgens om het belachelijke zelf gehuld in een jas van angst, om zo de tranen weer gauw weg te vegen. 

 

Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2018, 272 blz.

Submit to FacebookSubmit to Twitter