door Len Borgdorff, 25 augustus 2020

We reden in onze rode Renault 4 van de Dordogne over een tweebaansweg die zich misselijkmakend door de heuvels in de richting van Limoges slingerde. We waren onderweg naar huis. Heel lang waren we nog niet en route, dus we hadden nog een lange weg voor de boeg. Na een bocht naar links, volgde er eentje naar rechts. Naar links. Rechts. Het asfalt zag er uit als asfalt en de groene heuvels waren groene heuvels en meer dan dat aan dit alles geen einde leek te komen, kon ik er niet over zeggen.

 

 

We hadden drie weken gekampeerd en op een kaart aan een vriend had ik geschreven dat ik het nu zeker wist: God woont in Frankrijk. Later zou er een kaart bij mij door de bus vallen waarop viel te lezen dat Hij zijn vakanties bij voorkeur in Italië doorbrengt.

Zover was het nog niet en ook gaf de tekst die ik op de kaart had gezet niet goed weer wat ik daar, in die zomer van ‘79 achter het stuur besefte: ik zou hier niet kunnen wonen.

Spontaan verhaspelde ik een gedicht van John Masefield.

 

‘I must down to the seas again, to the lonely sea and the sky,

To the gull’s way and the whale’s way where the wind’s like a whetted knife.

 

Ik had het op school ooit uit mijn hoofd moeten leren. Moeten leren, ja. Ik heb er spijt van dat ik me als docent niet nog meer tot voorvechter van het wekelijkse gedicht heb ontwikkeld. Iedere week een gedicht uit je hoofd leren, van je zesde tot je achttiende. Maar goed, het gedicht Sea fever had ik dus op mijn zestiende uit mijn hoofd moeten leren en nu kwam het gemankeerd maar spontaan en veelzeggend, als een openbaring, als een diep besef, terug, daar op die slingerende weg in het midden van Frankrijk, ver, ver van de zee vandaan.

Dat ik daarbij de eerste regel van het gedicht aan de tweede van de laatste strofe plakte, deed daarbij recht aan mijn gevoelens. Ik verlangde niet naar een leven als zeeman, maar naar land met een rand, het eind, naar de plek juist waar je niet verder hoeft omdat er ander leven op je afstormt. Dus die walvis hoefde ook niet voor mij, en hoewel die daar achter het stuur toch heel braaf over mijn lippen kwam, ontsnapte hij toch aan mijn aandacht. De zee niet en ook naar de meeuwen met hun gekrijs verlangde ik plotseling en wat zou het heerlijk zijn om nu op het strand, die smalle rand van het land te staan terwijl de wind als een mes met zand mijn gezicht polijstte.


Lees gedicht

 

I must down to the seas again, to the lonely sea and the sky,

And all I ask is a tall ship and a star to steer her by;

And the wheel’s kick and the wind’s song and the white sail’s shaking,

And a grey mist on the sea’s face, and a grey dawn breaking.

 

I must down to the seas again, for the call of the running tide

Is a wild call and a clear call that may not be denied;

And all I ask is a windy day with the white clouds flying,

And the flung spray and the blown spume, and the sea-gulls crying.

 

I must down to the seas again, to the vagrant gypsy life,

To the gull’s way and the whale’s way where the wind’s like a whetted knife;

And all I ask is a merry yarn from a laughing fellow-rover,

And quiet sleep and a sweet dream when the long trick’s over.

 

John Masefield

Het was een openbaring en daarom vond ik het jammer dat ik daar in poësis niet meer recht aan kon doen, want behalve die twee verhaspelde regels had mijn geheugen niet meer van het gedicht weten vast te houden. John Masefield schreef het gedicht in 1901. Hij had toen al jaren op zee gezeten en intussen voor het land gekozen. Het gedicht is ook op muziek gezet. Op YouTube tref ik een pieperige folksinger en een paar deftige baritons en ook een keurige mevrouw. Er is trouwens ook een opname waarin Masefield het gedicht zelf zegt. Ook dan mis ik een rauwe stem. Ik zou wel willen dat Theo Maassen het gedicht eens zou opzeggen of zingen. Dat lijkt me heel goed voor dit gedicht.

In ‘79 woonden we al lang in Utrecht. Toch weet ik nog dat we een dag later bij Breda de richting Rotterdam kozen. Eerst naar het strand.

Zojuist het Zoutpad gelezen, dat bestsellende verslag van Raynor Winn. Deel zes van dat boek kreeg als titel Randlanders en daaronder lees ik:

 

‘‘Kom naar me toe, waar de zee de lucht ontmoet,

Verdwaald maar eindelijk vrij!’

                Inscriptie op gedenkbank, Men-y-grib Point.’

 

Ik moest ineens aan de heuvels in de Limoges denken.

Submit to FacebookSubmit to Twitter