door Len Borgdorff, 20 augustus 2020

 

Het eerste gedicht komen we pas tegen op bladzij 13 van de bundel. Daar staat tegenover dat In het vlees, de jongste bundel van Roelof ten Napel, doortelt tot bladzijde 208 en daarmee bevat ie veel meer gedichten dan je doorgaans aantreft in een dichtbundel.

De motto’s gaven al het nodige om even bij stil te staan, indrukwekkende citaten van Dickinson en Baldwin om er maar twee te noemen. Dergelijke verwijzingen laten zien bij wie een dichter graag in bed zou liggen, literair gesproken natuurlijk. ‘We gaan toch niet interessant zitten doen,’ mompelt het in mij.

 

 

En dan kom ik plotsklaps niet verder dan die eerste met poëzie gevulde bladzijde dertien. Daar lees ik ‘Sonnet XLV’. De gedichten, veel bijzonder vrije sonnetten, zijn meestal genummerd, waaruit blijkt dat in ieder geval is afgeweken van de normale volgorde. Ergens in de bundel, te beginnen op bladzij 154, staat een lijst met beginregels, niet in alfabetische volgorde, de sonnetten worden er in numerieke volgorde aangegeven. Die lijst begint bij Sonnet II, alsof er geen Sonnet I is. Die is er wel, het is het slotgedicht van de bundel, na het tweede deel dat luistert naar de titel Het uitschot: II Iskariot.

 

Er is veel in me om balorig te reageren op al dit interessanterige gedoe van motto’s en rare volgordes en zware woorden. En dan gaat het ook over God, dat wil zeggen over iemand die opnieuw zijn positie wenst te bepalen tegenover een door hem afgeschreven god. Dat lijkt me tamelijk zin- en heilloos. Intussen heb ik nog maar amper iets gelezen en mijn probleem is dat wat ik aantref me erg de moeite waard lijkt.

En dus ga ik lezen en begin ik keurig bij het eerste gedicht en dan begint het al. Eerst dus dat rare nummer in de titel en meteen daarop de eerste regel:

 

omdat bloed, in zichzelf, niets te zeggen heeft

 

Daar heb je het al. Wat is dat voor bloed dat in zichzelf niets te zeggen heeft? Is dat overdrachtelijk bloed dat kruipt waar het niet gaan kan, is het bloed dat schreeuwt om wraak, is het wie ik ben en wat er in me leeft?

Als het bloed is dat in zichzelf niets te zeggen heeft, dan is er hier geen medicus aan het woord en ook niet iemand die regelmatig naar de bloedbank gaat om een deel van de mensheid ter wille te zijn. Dan is het niet mijn zus die regelmatig haar bloed moet laten controleren en vervolgens door het bloed van anderen weer een revitaliserende douche krijgt. En dan ben ik het zelf ook niet. Zonder mededelingen die het bloed beschikbaar stelde, zou ik al een paar keer waarschijnlijk te laat in een ziekenhuisbed of een medische tunnel geschoven zijn. Lang leven de bloedwaarden. Ze hebben, los van mijn lichaam, veel te vertellen.

 

Het wordt tijd voor het hele gedicht:

 

Sonnet XLV

omdat bloed, in zichzelf, niets te zeggen heeft –
omdat bloed, het kale feit van bloed, me geen
betekenis wist mee te geven, me niets maakte
dat ik voorbij mijn naakte lichaam bleef –

omdat een kloppend hart, eens aangezwengeld,
precies daardoor niet meer in verbinding staat
met wat het ooit in gang heeft gezet –
omdat precies bestaan niet zonder zichzelf beginnen kan –

geen lichaam beweegt zich
door middel van waarheid, waarheid
kan niet eten –


ik ben hier niet vanwege, omdat het kale feit
van mijn aanwezigheid
me nergens mee verbinden kan

 

Het is duidelijk: het is ander bloed dan het bloed waar ik in de eerste plaats aan denk. Het is het bloed van de verwantschap, en even denk ik ook aan het bloed dat we als wijn kennen, en lijkt het te gaan om een religieuze verwantschap. Alsof het ware leven vooral leven is los van God.

Dat staat er niet, maar ik denk het nu eenmaal. En dan is er die grootse tweede strofe. Een hart dat klopt bij de gratie van het feit dat het is losgesneden van wat dat hart ‘ooit in gang heeft gezet.’

 

Losgelaten, losgesneden worden is een voorwaarde om te kunnen leven, zal ik maar zeggen.

Ik lees dit in een tuin met klein poedelbadje waarin en waar omheen twee jongetjes spelen. Toen de jongste van twee even kwam bijtanken door tegen de knieën van zijn grootmoeder te leunen, zag ik in een flits de foto weer die ik gisteren voor het eerst onder ogen kreeg, een tachtig jaar oude foto van mijn oma. Ze zit op een stoel in de tuin en er leunen twee kindertjes tegen haar aan. Het is een oude foto, maar de ogen van die oma, die ik nooit heb gekend, zijn de ogen van het jongetje dat nu tegen zíjn oma leunt. De verwantschap tussen betovergrootmoeder en achterkleinzoon valt me op.

 

Die verwantschap loopt dus ook via mijn dochter, de moeder van dat jongetje. Dat is de moeder die ik direct na haar geboorte los knipte van haar moeder. Dat losknippen was voorwaarde om dochterlief een eigen leven te laten beginnen.

 

omdat het kale feit
van mijn aanwezigheid
me nergens mee verbinden kan

 

zegt Ten Napel.

Maar ja, dat veelzeggende bloed, en die trekken van verwantschap, van verbondenheid, die ogen, die ongewild veelzeggend zijn…

 

Ik wil verder lezen en sla om op het moment dat een van de jongetjes de tuinslang op me richt. Ik lees graag door, maar dan zonder die jongetjes.

 

Roelof ten Napel, In het vlees. Gedichten. Hollands Diep, Amsterdam 2020.

Submit to FacebookSubmit to Twitter