door Menno van der Beek, 15 augustus 2020

 

Aan het eind van zijn leven had Abraham, uit Ur, u weet wel, die de deur uit moest en de wereld en een mensenzee beloofd had gekregen, een graf, voor hem en zijn dode vrouw, en verder nog geen meter grond, en toch is hij er tot het eind aan toe in blijven geloven. Vandaag zou Willem Barnard, geboren in Rotterdam, 15 augustus 2020, honderd jaar oud geworden zijn, maar dat heeft hij niet gehaald: tien jaar geleden overleed hij, negentig jaar oud, precies op de laatste zondag van het Kerkelijk jaar, onbedoeld symbolisch vermoed ik, maar de datum was van een liturgische veelzeggendheid die hem zelf aangesproken zou hebben. Het type reis als die van Abraham, met een halfbegrepen woord de deur uitgaan, ergens in proberen te geloven, onderweg de gedachte een plek geven dat je geen idee hebt waar het heen moet, en de moed erin houden met een lied, dat vraagt een man die meestal genoeg heeft aan zichzelf en tegelijk niet buiten het verband kan. Iemand dus als Willem Barnard, die veel gevoel had voor de vasthoudendheid van Abraham, die over Abraham nagedacht, geschreven en gezongen heeft. Zoals Abraham de wereld inging, zo heeft Barnard geloven altijd begrepen en beschreven: hij heeft de boeken van Thomas Halik niet meer gelezen, maar als die zegt ‘Atheïsten merken weinig van God, gelovigen merken weinig van God, maar gelovigen hebben meer geduld’, dan had dat Barnard aangesproken, verwacht ik. Zekerheden kan men misschien overal krijgen, de dichter heeft geloof nodig. En ook Willem Barnard heeft dan ook twee vierkante meter grond gekregen, in Utrecht, op de Oud-Katholieke hoek van de algemene begraafplaats. Dat weet ik, want ik heb er met een vriend gestaan, vorig jaar, en toen hebben we de woekerende vrouwenmantel, die een dichtregel van Barnard langzaam onleesbaar maakte, van zijn steen geveegd en een kaars voor hem aangestoken. En een geïmproviseerd gedicht uitgesproken.

 

Zal Willem Barnard geliefd blijven als de zanger van zoveel moois dat in allerlei kerken klinkt, of zal hij vergeten of door allerlei gedachtengoed ingehaald worden? Hij werd genoemd, door Tommy Wieringa, in zijn column in de NRC van afgelopen zaterdag. Het ging dan over een los woord in één van de zeer vele in het grote kerkelijke liedboek opgenomen gezangen van Barnard, een lied over sterren en trompetten, met een ondertussen onwelgevallig woord erin. Wieringa was liefdevol, dat zeker. Het is vooral dagblad Trouw, die de kritische discussie nu al een jaar warm houdt, en blijft opmerken dat dat woord eruit moet. Want de tijdgeest is achterdochtig. En Trouw is nog altijd wantrouwig tegenover dichter-dominees, er is wat dat betreft nog niks veranderd, Willem Barnard maakte dat al voldoende mee toen hij de krant nog las.  In 1981, op 31 oktober, reageerde hij met een ingezonden brief in Trouw op iemand die door de kerk had geroepen dat “Zonen der belofte” niet kon in Barnards gezang 94, dat moest “Mensen der belofte” worden, en de dominee gaf de dame ter plekke gelijk en zong uit volle borst de nieuwbedachte regel. Barnard schrijft in zijn repliek: ‘Wij moeten niet met de oprispingen van “groepsmondigheid” en “spontane democratie” de tekst van onze liederen gaan veranderen.’ Overigens meldt hij verderop in het ingezonden dat hij niet in principe tegen veranderingen is, en zelfs wel eens een tekst heeft aangepast, bedachtzaam en tegelijk spontaan. Waarschijnlijk niet omdat het moest van de krant.

 

Wij zullen hem niet vergeten, al zijn wij ook onderweg naar hetzelfde beloofde land als Abraham en Barnard, dus de toekomst is wat dat betreft ook onzeker. Zijn gedichten en liederen houden nog wel even stand, en de krant houdt ons scherp. En er is ondertussen een mooie nieuwe diep en breed gedocumenteerde verzameling van al zijn liederen onderweg van uitgeverij Skandalon, die is volgend jaar klaar, en die staat over honderd jaar vast nog ergens in een kast. Kijken we daarna verder. Het is net als met Abraham ook veel minder een avontuur als men het allemaal van tevoren weet.

 

Onderstaand staart-kwatrijn hanteert in de eerste vier regels strak en in de staartregels losjes het ‘Common Metre’, de 8/6/8/6 gekruist rijmende aanpak van de meesten Engelse kerkzangen, waar Barnard liefdevol op varieerde in het Nederlands. De vorm doet ertoe, zoveel had hij in elk geval altijd helder.

 

Een Kwatrijn, met codae, voor Willem Barnard,

 

Die onder vrouwenmantel ligt,

de ogen stevig dicht,

tevreden met de liedboekoogst

en blij met elk gedicht;

 

want daar, in het beloofde land,

zalig genoeg, verschijnt geen krant,

 

misschien wordt er gelet,

gewacht op de trompet -

 

wie haar ook aan de lippen zet.

Submit to FacebookSubmit to Twitter