door Len Borgdorff, 28 juli 2020

 

Utrecht: Bemuurde Weerd

 

Het water stroomt nog door dezelfde sluis

Als toen, en maakt het eendere geruis.

 

De huizen, aan de waterkant daarneven,

Zijn feitlijk ook onaangerand gebleven.

 

Alleen nabijer is, voor wie ze ontvlood,

De zekerheid van de imminente dood.

 

J.C. Bloem

 

Je zou bij de Bemuurde Weerd toch een plaquette of wat dan ook verwachten met daarop het gedicht van J.C. Bloem, maar meer dan de openingsregel uit het gedicht kan ik er niet vinden.

 

Het water stroomt nog door dezelfde sluis

 

Dat lees ik op het huisnummerbordje van het studentenhuis op nummer 7. Zonder de andere vijf regels van het gedicht krijgt deze een heel andere betekenis. Alsof er rond de sluis van alles gebeurd zou zijn, met als enige constante factor het water dat er traag tussen de kaden stroomt.

 

 

Dat is heel iets anders dan Bloem ons wil vertellen.

 

De huizen, aan de waterkant daarneven,

Zijn feitelijk ook onaangerand gebleven.

 

Bloem lijkt het gelijk aan zijn kant te krijgen als ik er op maandagochtend rondloop. Het is er stil. De zon belooft een aangename dag. Verkeer is er amper. Wel liggen er wat bootjes in de sluis. Twee jongemannen, eentje aan de west- en eentje aan de oostzijde, lopen langs de kade en draaien de sluisdeuren open zodat de bootjes onder de brug door hun tocht over de Vecht kunnen beginnen.

De slagbomen van de brug gaan dicht als ik ben uitgekeken. Pas dan dringt tot me door dat de twee jongens elkaar hebben ontmoet bij het bedieningspaneel van de brug. Een van de twee roept naar me dat ik geen stap achteruit moet doen, als ik omkijk zie ik hoe er een slagboom vlak achter me omlaag suist. Daar begint de reuring al.

 

Even later gaat de brug open. Ik kijk er naar. Ooit zag ik hoe uit de kier tussen brug en asfaltweg de kop van een duif stak. Het zag er vrolijk uit, maar dichterbij zag ik de vliezen van de dood over de oogjes en ik begreep dat het lijf dat bij de duif hoorde, intussen geplet was.

Ik blijf staan, er is vandaag geen duif te zien.

 

Er gebeurde meer bij de sluis waar volgens Bloem nooit wat gebeurde. Alleen is er niets meer dat daaraan herinnert. Werd hier nou een moord op een studente gepleegd, hier in dit huis bij de sluis? Zoiets staat me toch echt bij en ook dat er een gedenkplaat kwam voor dat meisje en dat het huis moeilijk verkoopbaar was later. Ik vind er niets van terug, ook niet op internet.

Ik loop verder naar de andere sluisdeuren. De boten waarvoor de brug openging, willen de stad in, maar wachten nog op de twee jongemannen.

Op nummer 7 lees ik de misleidende beginregel van Bloems gedicht. Bij dit huis kwam in mei 1945 een wachtcommandant van kamp Amersfoort op een kar langsgereden. Hij was kaal geschoren, er was een hakenkruis op zijn voorhoofd geschilderd en om zijn nek hing een bord met ‘landverrader’ en ‘Nationale Schooiers Bond.’ Een naam ken ik niet. Stel je nou toch eens voor dat men zich toen vergist heeft. Vandaag is er geen kar, de straat is leeg. Wel zijn er de bootjes met mensen die naar de man kijken die de huizen loopt te bekijken, en af en toe een foto maakt.

Ook bij Ekko op nummer 3 is het stil; op een maandagmorgen is dat wel gepast voor een poppodium. Op nummer 1 geen enkel teken van leven. Er huist al heel lang geen bakkerij meer. Dat was wel zo toen op 17 december 1925 Rijk de Gooijer daar werd geboren. Vanaf zijn geboortehuis kan ik heel goed de Dom in de steigers zien staan en ik zie de tekst van het lied dat hij in 1956 schreef en dat intussen is uitgegroeid tot het lied van de stad. Ook Van Zanen zong het bij zijn afscheid als burgemeester van de stad.

 

As ik boven op de Dom kom
Kijk ik even naar benee
Dan zie ik 't ouwe grachie
't Vreeburg en wijk C
Ja dan spring mijn hartsie open
Ik ben trots wat dach-ie wat
D'r is geen mooier plekkie
As Utrech mijn stad
As Utrech mijn stad.

 

Er is nog meer. Een aantal jaren geleden stortte aan de oostzijde een deel van de kade in en het heeft jaren geduurd voor die hersteld was. Daardoor is ook de jaarlijkse komst van Sinterklaas nog in gevaar gekomen, want dat komt er ook nog bij: hier bij de Bemuurde Weerd begint die zijn bezoek aan de stad van zijn collega Sint-Maarten. Je moet er toch niet aan denken: geen heilige Nicolaas bij de sluis.

 

Van het gedicht van Bloem geen spoor, afgezien dan van de openingsregel. Wel tref ik in corten staal een gedicht van Ruben van Gogh, een gedicht vol vissen die popelend op het moment wachten waarbij zij de deur van de schutsluis door kunnen om het volle leven tegemoet te gaan. Want ook dat gebeurt daar bij de Bemuurde Weerd. Onder de waterspiegel is het een en al reuring.

 

J.C. Bloem, Verzamelde gedichten. Polak & Van Gennep, Amsterdam 19652.

Submit to FacebookSubmit to Twitter