door Len Borgdorff, 21 juli 2020

Een In Poësis schrijf ik op maandagochtend en acht dagen later zet Timen hem op de site van Leesliter. Dat is dus een dag nadat ik al een volgend stukje heb geschreven.

In vakantietijd kan daar de klad in komen, zoals deze keer, want in plaats van dit stukje voor morgen vorige week te schrijven, doe ik dat nu. Vorige week om deze tijd fietste ik namelijk van Wassenaar naar Utrecht.

We pauzeerden toen langs de Oude Rijn bij Alphen aan den Rijn. Koffie zat in de thermosfles, de gemeentelijke overheid had ergens een bankje geplaatst en zo kwam alles goed. Voor het witte huis dertig meter verderop stond een informatiebord. Het wist me te vertellen dat daar de dichter J.C. Bloem een deel van zijn kinderjaren had doorgebracht. De mededeling op het bord was even verheugend als teleurstellend. Ik had er al veel vaker gefietst. En foto’s van huizen waar hij ooit woonde had ik wel eens gezien, ik wist van Oudshoorn en Alphen, maar desondanks had ik een bord nodig om die twee te combineren. Dat viel me tegen van mezelf.

 

 

Om het goed te maken viel ik mijn fietsmaat lastig door De Dapperstraat op te zeggen, maar ook daar ging het mis. En wel op het pijnlijkste moment dat je je maar denken kunt, namelijk bij regel 6. Daar staat

 

De in kaden vastgeklonken waterkant.

 

Lees gedicht

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

 

 

Die regel miste ik dus en dat nog wel op die plek, aan de Oude Rijn die er tussen kaden stroomt (al is dat een groot woord). Erger had niet gekund. Het was wel duidelijk dat het ongepast is om een maandagmorgen door te brengen zonder In Poësis.

Bloem drukte op me toen we onze onverdiende fietstocht vervolgden. De markt aan de Dapperstraat bezoek ik zelden, maar ooit kocht ik er een petje, gewoon om een petje te hebben dat ik had gekocht in de Dapperstraat. Dan zou ik kunnen zeggen: je weet wel, van dat gedicht van Bloem. Maar het witte huis bij Alphen, vroeger Oudshoorn, was ik steeds onnadenkend voorbij gefietst.

 

Er zijn tijden geweest dat ik vaak in of in de omgeving van de Weerribben verkeerde. Dan liep ik langs het huis waar Bloem zijn laatste jaren sleet. Of ik fietste nog even naar Paasloo, waar hij ligt begraven.

 

Het was een merkwaardige man, die Bloem, met zijn alcoholverslaving, die matige student die later een verre van ideale werknemer zou worden (‘ik ben wat later, maar ik ga ook iets eerder weg’). Misschien ken je nog de sketch van Dorus als beheerder van het depot waarin allerlei vreemde uitvindingen werden bewaard. De man wankelt door smalle gangetjes van hoge ladekasten. Af en toe trekt hij een laatje open om er snel een fles uit te trekken, schielijk een slok te nemen en vervolgens zijn zoektocht te vervolgen. Zo stel ik me Bloem voor.

Maar Alphen miste ik. Bloem laat zich ook verbinden met Utrecht, Clara Eggink, Boekhandel Bijleveld en de Bemuurde Weerd.

 

Opnieuw is daar die schaamte, want waarom hebben nooit de dichtregels door mijn hoofd gespeeld die hij daaraan wijdde, telkens als ik langs de sluis fietste. Bloem, dichter van het menselijk tekort, waarvan deze lezer een voorbeeld is.

Om het goed te maken, fiets ik nu even langs de Bemuurde Weerd, maak er een foto en voeg die bij het stukje. Intussen scandeer ik:

 

Utrecht: Bemuurde Weerd

 

Het water stroomt nog door dezelfde sluis

Als toen, en maakt het eendere geruis.

 

De huizen, aan de waterkant daarneven,

Zijn feitlijk ook onaangerand gebleven.

 

Alleen nabijer is, voor wie ze ontvlood,

De zekerheid van de imminente dood.

 

Alweer een ingeklonken waterkant. Volgens mij kan de Kalenbergergracht waaraan hij zijn laatste levensjaren doorbracht niet zonder kloeke beschoeiing.

 

J.C. Bloem, Verzamelde gedichten. Polak & Van Gennep, Amsterdam 19652.

Submit to FacebookSubmit to Twitter