door Len Borgdorff, 14 juli 2020


Het leven is een onontwarbare kluwen van gelijktijdigheid. Dat klinkt omineus. Het is nog erger.

De enige manieren om al die meerdimensionale gelijktijdigheid enigszins aan te kunnen is structureren en selecteren. Dat schijnt voor een deel vanzelf te gaan; voor een groter deel went het amper.

 

Op het moment dat ik dit schreef, wist ik wat ik dacht en lag de volgende gedachte al klaar. Misschien was dat de reden waarom iets in mij tegelijkertijd meende dat ik wel op kon staan. Dat doe ik namelijk spontaan als ik bij een gedachtereeks een wissel over ga. Maar omdat ik was opgestaan, bleek ik blijkbaar te denken dat het tijd was voor een vers glas koffie. Ik liep met mijn lege glas de trap af en kwam even later weer boven met een vol. Toen had ik ondertussen een gedachte gewijd aan het haar van de vrouw die aan mijn zijde gaat, maar nu in de tuin was, aan de gewichtheffer Piet van der Kruk en ik vroeg me af waar de drie druppels op het parket vandaan kwamen, maar vergat daar blijkbaar verder over na te denken. Nu pas heb ik een mogelijk antwoord. Wel ben ik nu de geruststellende cliffhanger van de vorige alinea kwijt waardoor ik spontaan van mijn stoel was opgestaan.

 

 

Ik betrap me erop dat ik nu al een paar keer met mijn hand naar de radio ben gegaan om die uit te zetten, maar dat mag nu niet. Als ik het over gelijktijdigheid heb, moet ik niet moedwillig elementen gaan elimineren, toch? Of is het juist verkeerd om niet aan mijn impuls toe te geven en de radio uit te zetten, zodat ik beter over de overdonderende impact van gelijktijdigheid kan nadenken om daar tegelijkertijd woorden voor te vinden en die dusdanig op een rijtje te zetten dat er in niet te lange zinnen voor een nu nog denkbeeldig publiek iets tekstueels te pruimen valt. Dat woord ‘pruimen’ bevalt me helemaal niet.

 

En wat is me in al die gelijktijdigheid allemaal al ontgaan? Niet dat de vrouw aan mijn zijde me zojuist vertelde dat ze alvast naar de kleinkinderen gaat, omdat het nu nog droog is, maar dat ze wel graag heeft dat ik nog even op buienradar kijk om te zien of ze dan ook droog over komt; ook niet dat de radio vertelt van het overlijden van Ennio Morricone; van wolken en zon niet. Maar wel wat ik nu even niet vertellen kan.

 

Het zal onze redding zijn dat we veel gelijktijdigheid niet aankunnen en er daarom zo selectief mee omgaan, maar in onze onvolmaaktheid doen wij de volheid van de schepping onrecht, en ook de waarheid van ongekend leed van anderen. Ook dat.

Ik kan me daarover schuldig voelen en me tegelijkertijd ergeren aan het idee dat ik me daar niet schuldig over zou moeten voelen omdat ik vind dat ik dat wel moet, wat me weer hindert omdat ik op die manier met mezelf bezig ben maar dat het daar nu even niet om ging!

 

In ‘De interpunctie van de beweging’ gaat iemand

 

‘met haast op weg naar niets.’

 

Dat kan niet, dat niets. Dat is een vorm van commentaar. Er is geen niets, maar dit terzijde.

 

Er gebeurt intussen van alles:

 

‘Een merel vliegt op,

 

je hoeft niet om haar heen te lopen.

Je voet raakt een losse tegel zonder

 

dat je het merkt, je valt niet, geen

toegevoegde beweeglijkheden.’

 

Omdat de merel opvliegt, hoef je ‘niet om haar heen te lopen.’

De merel is blijkbaar een vrouwtje, als lezer moet ik daarom snel de felgele snavel en het zwarte verenkleed aanpassen die ik in gedachten onmiddellijk paraat had toen ik het woord merel las. Vervolgens kan ik me afvragen of het een conclusie is van de vrouw of man ‘op weg naar niets’ dat je niet hoeft uit te wijken of dat een almachtige dichter ons dat vertelt.

De mooiste, de meest troostrijke regels komen na de merel, als die voet de losse tegel raakt

 

‘zonder

dat je het merkt […]’

 

Temidden van al die gelijktijdigheid moet ons teveel ontgaan, alsof wat gebeurt niet is gebeurd. Dat is jammer. De voet en de tegel hebben er recht op dat hun confrontatie gekend en erkend wordt.

 

Daar kun je gedichten voor gebruiken.

 

Lees meer

De interpunctie van de beweging

 

De huisdeur is al uit je hand gegleden.

Met haast op weg naar niets. Een muur

 

aangetikt met je duim, dan een ruit.

Een merel vliegt op,

 

je hoeft niet om haar heen te lopen.

Je voet raakt een losse tegel zonder

 

dat je het merkt, je valt niet, geen

toegevoegde beweeglijkheden.

 

Vlug opzij om een vrouw te gunnen dat

ze door kan lopen. Een Japanner met een

 

kaart vraagt de weg niet aan jou. Je

kijkt om je heen of je

 

iemand anders kunt helpen. Elke

voorbijganger kent z’n plaats, al

 

verlaat hij die nog zo snel voor een

andere. Goed gemikte

 

stappen vermijden het zand. Je schat de

afstand tot een luchtballon. Een fiets

 

valt om. Je zet hem rechtop en dan hoor

je dat hij achter je

 

weer omvalt. Waarom ga je met je pink

over een plaat ribkarton? Omdat het mooi

 

ritselt. Het verleden van een probleem

’s morgens in een straat.


K. Schippers


K. Schippers, Fijn dat u luistert. Gedichten. Querido, Amsterdam/Antwerpen 2014

Submit to FacebookSubmit to Twitter