door Len Borgdorff, 1 juli 2020 

Mijn kunstzinnige neef maakte een herstart. Hij pakte een pen en tekende iets na zonder te kijken naar wat zijn hand deed, zonder ook zijn pen van het papier te halen. Hij zag het resultaat pas als hij zijn pen had neergelegd.

 

Vanaf dat moment geeft de wet van de doorlopende lijn de doorslag en speelt het model geen rol meer. Op linnen wordt de lijn nagetekend, vloeiender meestal, met af en toe een scherpe bocht, want we moeten wel wakker blijven. Er ontstaan vlakken die weer vragen om kleuren die verlopen of om contrast.

 

Soms zie je nog iets terug van wat waarschijnlijk werd nagetekend, vaak ook niet. Het is een object geworden, een ding. Zoals een gedicht in de jaren bij Kouwenaar wel een ding genoemd werd. Dat is een gedicht dat de indruk wekt zijn eigen wetten en daarmee zijn eigen bestaansrecht te hebben gecreëerd. Maar een kunstwerk kan zo abstract niet wezen, of het heeft relaties met de concrete werkelijkheid waaruit het is voortgekomen. In het ene geval zie je dat duidelijker dan in het andere. Zo is het in het werk van de neef en zo zie je dat bij Schippers.

 

K. Schippers is al sinds 1963 bezig met een herstart, ook bij hem stommelt er veel werkelijkheid door zijn werk die van een heel andere aard wordt, maar heel anders dan bij een Kopland, die gelukkig wordt als twee toevallige momenten van toeval in poësis een blijvend zinvol verband lijken aan te gaan. Bij Schippers blijft de verwondering om een paar lukrake voorwerpen of posities die elkaar toevallig even tegenkomen. Bij hem overheerst het toeval. Kopland bouwt tijdelijke illusies in een afgrondelijke wereld zonder zin. Schippers, levend in eenzelfde wereld, verbaast zich erover dat dingen de schijn kunnen wekken een verband met elkaar te kunnen aangaan.\

 

Gedichten van Schippers zijn vaak geschikt om te worden opgenomen in zo’n ouderwets winter- of zomerboek met verhaaltjes, kleurplaten, speurders en versjes en raadseltjes.

 

Bij het gedicht man kijkt bij schuur bijvoorbeeld. Ik raakte in de war toen ik halverwege dat gedicht, in een iets kleiner lettertype, aan de rechterkant van pagina 34  las:

 

enigszins links



 

Ik begreep onmiddellijk dat ik het gedicht verkeerd las. Ik las het alsof ik naar de man bij de schuur keek. Ik zag hem al staan, bij een oude, geteerde schuur. De man had een pet op. Hij was groot en hij leek nog al op de ‘great late’ vader van mijn jeugdvriendje Dick.

 

Zo was het dus niet. Ik was zelf die man die bij de schuur stond en ik had maar te zien wat hij zag. Niet de man verdween uit zicht, maar ikzelf.

 

Een poëtisch trompe l’oeil.

Maar wat ziet de man bij de schuur?

 

Mijn oog valt op het slot van het gedicht ernaast:

 

de dingen hebben geen samenhang

                t.o.v. elkaar

 

tussen hen in gaapt het

                van de afgronden

 

Zo’n winterboek is die bundel van Schippers, je rolt er van raadsel naar een verhaal met een droef slot.

 

De verwondering blijft.


K. Schippers, Fijn dat u luistert. Gedichten. Querido, Amsterdam/Antwerpen 2014

Submit to FacebookSubmit to Twitter