door Len Borgdorff, 16 juni 2020

 

Er valt niet aan te ontkomen om net als de rest van de mensheid het boek van Rutger Bregman te lezen en mij ervan te laten overtuigen dat de meeste mensen deugen. Tegelijkertijd adviseert de grootmoeder in Hogere Natuurkunde haar kleindochter, kleintje: ‘Schop ze eerst tegen de knieën, dan kun je weg.’ Ook zegt ze: ‘Draag altijd een broek, / dan komen ze minder snel / tussen je benen.’

 

 

Op de voorpagina van de krant zitten demonstranten geknield en dat niet alleen vanwege de moord op één man, maar vooral omdat die man pars pro toto is voor Lives die er niet toe lijken te doen. Omdat er zo vreedzaam wordt gedemonstreerd, zou je bijna denken dat de meeste mensen inderdaad deugen. Dat vind ik een nauwelijks geruststellende gedachte. Je zult als vrouw door een verlaten donkere straat lopen en tien mannen tegenkomen, van wie de meeste deugen. En dan is er dat schemergebied van je er braaf niet mee bemoeien. Of je zult maar demonstreren tegen racisme en op de Dam terechtkomen. Deug je dan? Je zult maar opkomen voor gelijke rechten en er is een grootmoeder die zegt:

 

‘Ieder geluk gaat ten koste van anderen kleintje,

ook jij koopt bij de H&M’

 

De opmerkingen van de grootmoeder in de gedichten van Deckwitz staan tussen haakjes. Die haakjes zijn het hoofd van de kleindochter. Zij hoort de stem van haar overleden oma, onder andere als ze op reis is door Indonesië, het land van haar grootouders.

 

In het negende gedicht, dat net als de andere uit verschillende delen bestaat, lees ik over de grootvader:

 

‘volgens mijn moeder had hij altijd heerlijk warme handen’

 

Dat behoeft enige uitleg. Voor we bij die warme handen zijn, wordt namelijk verteld van ruimtes die zo zijn ingericht dat ze geluid absorberen. Dode kamers zijn het. In Minnesota is er een die een geluidssterkte heeft van  -9,4 decibel. Dan roept de ik:

 

‘wacht WAT

-9,4 decibel. Dat er onder stilte nog veel meer stiltes zitten,

Isolatielagen onder een bevroren vijver […]’

 

In 1980 maakte ik kennis met Joop en Fiet Citroen, een ouder echtpaar dat voor de oorlog al een beetje vergeten was dat ze joods waren, maar daar vanaf 1940 indringend aan werd herinnerd. Halverwege de oorlog gingen hun wegen uiteen. Ze hadden toen al een kind verloren. Hij werd via Vught en Amersfoort afgevoerd naar Treblinka, zij dook onder.

De naoorlogse jaren werden voor haar in belangrijke mate bepaald door depressies, wanhoop en psychiaterbezoeken. Uiteindelijk kwam haar verhaal op papier. Joop kende dat soms beter dan zij het kende. Hij had dingen uitgezocht. We zijn met elkaar naar plaatsen geweest waar ze hadden gewoond en waar zij ondergedoken had gezeten.

 

Joop was bijzonder voorkomend en beleefd en hij was een genereuze gastheer. ‘Goede opvoeding,’ zei hij toen ik hem vroeg waarom hij zich zo voorbeeldig opstelde. Het bleek angst te zijn. Er mocht op hem niets aan te merken zijn.

Van het verhaal van Fiet leerde ik alle op- en afstapjes kennen. Vooral dank zij Joop. Natuurlijk vroeg ik naar zijn verhaal. Hij serveerde koffie en zorgde voor koekjes die ik lekker vond en vertelde over Fiet, over de kinderen, over zijn werk bij de film, bij Philips, zijn reizen als tolk. Een antwoord op de vraag kwam er niet.

 

Totdat hij na jaren zijn eigen verhaal ineens voor me op tafel legde. Ik moest het maar lezen. Hij was toen de tachtig gepasseerd.

 

Nog weer later is zijn verhaal uitgegeven, samen met dat van Fiet. In hoofdstukken om en om vertellen zij hun belevenissen.

 

Deckwitz vertelt in haar negende gedicht:

 

‘geen enkele geluidsgolf wordt door de muren weerkaatst, elke echo opgenomen en opgeslagen in warmte’

 

Daar komen die warme handen van de grootvader vandaan, van de verhalen die zijn ingeslikt, geabsorbeerd. Daar kwam ook de warme hartelijkheid van Joop vandaan.

 

De meeste mensen deugen. Het is het statement van een socioloog of van een vriendelijke statisticus, maar doet het voldoende recht aan de diepe tragiek waaraan een mens kan worden overgeleverd?


Lees gedicht

  

[…]

mijn huis puilt uit van hogere natuurkunde,

ik stam af van de allergrootste dode kamer.
Mijn grootvader absorbeerde talloze verhalen,
ieder geluid dat ze hadden kunnen veroorzaken
werd opgenomen door organen, slijmvlieslagen,
geen vonk ontkwam. Iedereen vond hem een uiterst nette man,

volgens mijn moeder had hij altijd heerlijk warme handen.

Achteraf bleek dat slechts geluid
dat er niet uit kon,
de botten van binnenuit verteerde,

 

[…]

 

Ellen Deckwitz

 

Ellen Deckwitz, Hogere natuurkunde. Amsterdam / Antwerpen 2019.

Rutger Bregman, De meeste mensen deugen. De Correspondent 2019.

Joop en Fiet Citroen, Duet pathétique. Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.

Submit to FacebookSubmit to Twitter