door Menno van der Beek, 12 juni 2020

‘Ik ben dan hoe dan ook niet geweldig blijgezind als ik, oude zak, over de uiteindelijke bestemming van onze bellettrie reflecteer. En op sommige momenten van de dag, bijvoorbeeld bij de aanschouwing van een paasklokje, een fraai ogende algoritmische formule of het billenstelsel van Scarlett Johanson, overvalt mij een domme, van alle redelijkheid ontdane vreugde, waarvan ik moet  toegeven dat zij doorgaans van korte duur is.’ De Vlaamse dichter Luuk Gruwez heeft twintig jaar geleden ‘Het land van de wangen’ geschreven, met dagboekflarden en herinneringen, en over hoe hij in het Oosten van België zijn plek probeert te vinden. Dit nieuwe deel, ‘Het land van de handen’, dat de jaren van 2016 tot 2020 behandelt, is vooral een zoektocht naar wat een man van in de zestig hoopt en vreest, in het licht van zijn herinneringen aan Deerlijk, het dorp waar hij in het westen van Vlaanderen zijn jeugd doorbracht. En die aan Opa Bing, die vlakbij de Cisterciënzer Sixtus Abdij van West-Vleteren woonde, waar ze wonderlijk bier brouwen. Dagboekflarden, herinneringen, dromen, brieven, foto’s en bespiegelingen, soepel geschreven en samenhangend van thema. Want de dichter wordt vijfenzestig in dit boek, wat hem niet vrolijk stemt: ‘Wij zijn bestemd voor het verlies – welja, dan is dat maar zo, het is voor iedereen hetzelfde.’

 

Of hij nu op afstand, per brief, het drama van een vriend die zijn dochter verliest meemaakt, of hij schrijft over zijn avonturen in de druivenpluk op een Grieks eiland, de melancholie, het bange wakker liggen is nooit ver weg. En dan komt hij vaak op hetzelfde thema uit: ‘Daarna, thuisgekomen, gaan wij liggen op het bed […] nergens ter wereld voelt de Herfst zich zo snel thuis als in mijn hoofd. Laat hij nu maar komen. Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross’.

Hij bezoekt graag kerken en kloosters, in België en op reis, maar nooit zonder nadrukkelijk te vermelden dat hij een heiden en een atheïst is. Omdat hij dat blijft doen, denkt de lezer op een gegeven moment daar het zijne van, en wordt dan gelukkig in die mening door de auteur zelve geschraagd: ‘Ook dacht ik: hé, is die bewering van me dat ik een atheïst wel waar? Ben ik misschien een agnost? Ja, dat moet het zijn [...] Maar wat is dat, een agnost? Dat is iemand die de vogels hoort fluiten, maar ze niet ziet en niet weet waar hun gefluit vandaan komt […] En omdat ik zo’n agnost ben krijg ik dus nu zo’n bevlieging waardoor ik afval van mijn gebruikelijke overtuiging en geloof dat diep in ons een ziel huist.’

Men laat zich met zo een boek altijd diep in de kaarten kijken, en dat ontroert. Omdat het boeiend gedaan is, vliegt de lezer door de bladzijden heen. En zoals de schrijver de lezer een inkijk gunt, omdat hij steeds beweert niets in de kerk en de abdij te zoeken te hebben en er dan niet weg te slaan is, zo staat de schrijver ook bij vlagen toe, dat hij bij de lezer door de mand valt. Wat hij wil, dat men van hem denkt, of wat hij van zichzelf wil denken, is niet altijd wat de lezer begrijpt. Neem een flard als deze: ‘In de keuken van Huize Sehnsucht sta ik op mijn eentje de vaat te doen. In haar bureautje […] is Totje voor haar PC neergestreken om schandelijk kerosine-slurpende vluchten naar verre oorden te vinden. Wij willen weg.’ Hij weet, dat hij een milieubewuste moderne Europeaan moet zijn, maar niet, als hij op vakantie wil. Al kan hij dan niet nalaten bij ons te laten doorschemeren, dat het weinig gescheeld had, of het milieu had de doorslag gegeven. Dagboekschrijver die zich in de kaart laat kijken, en zo hoort het ook.

Het niet te missen thema van het dagboek is de angst voor de vergetelheid, en dan vooral voor de toekomstige vergetelheid van de auteur. Hij flirt met de katholieke religie, omdat dat uit zijn jeugd het enige medicijn is dat hij kent, maar het volledig opgetuigde systeem van het Belgische katholicisme is volledig ingestort, en zij die de ineenstorting hebben meegemaakt zijn niet ideaal geoutilleerd om iets uit de ruïnes te redden. Dat laat hij voorlopig aan de specialisten, bijvoorbeeld in West-Vleteren over, maar voor de zekerheid gaat hij er wel regelmatig kijken. En als hij des avonds in bed ligt, vreest hij zijn vergetelheid.

Gelukkig is er ook ruimte voor anderen, die vergeten dreigen te raken: overal ter wereld verstopt Gruwez, als hij in kerken of kloosters is, op heilige plaatsen een bidprentje van zijn oma Lies. Door omstandigheden heeft hij handenvol van die bidprentjes over, wat hij als een teken is gaan beschouwen. Door nu die prentjes wijd en zijd te verbreiden, veilig te plekken, redt hij haar zo op internationale basis van de vergetelheid, vermoedelijk, zoals hij zelf daarvan gered zal willen worden. Oma Lies staat ondertussen alvast ook alweer in deze bespreking.

Luuk Gruwez, Het land van de handen. Privé-domein, Arbeiderspers, Amsterdam 2020, 472 blz., €29,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter