door Len Borgdorff, 10 juni 2020

Op sommige gedichten ben ik zo zuinig dat ik ze niet voor een In Poësis gebruik.  Dat stel ik uit. Om mezelf een keertje mee te verrassen. Eergisteren beloofde ik mezelf plotseling dat ik vandaag iets mocht doen met ‘Buikzwam de aardster’. Dat zou ik vast wel leuk vinden, meende ik. Het gedicht speelt meer dan wekelijks door mijn hoofd en dat al veertig jaar of meer.

 

 

Het eind van het liedje is dat ik vannacht onrustig heb geslapen vanwege een vierregelig gedicht. Het leek erop alsof ik zelf dit gedicht was: strak en vol. Geen gedicht met een melodie.

 

Buikzwam de aardster

 

Hij springt tot ster in slippen open,
hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift

hij als hij niet wordt aangeraakt?

 

Het gedicht ziet er een beetje uit zoals de buikzwam eruit ziet voor die openspringt, een onwillige ruwe aardappel. En zo lag ik dus ook in bed, met dat gedicht in mijn hoofd. En zo zit ik nu ook te zwoegen achter de computer. Zo vaak, bij zoveel gelegenheden hoor ik het gedicht door mijn hoofd gaan. Als ik de smalle poort achter ons huis bijvoorbeeld. En in situaties als deze, waarin er iets moet gebeuren en het gebeurt niet.

‘Lukt het een beetje?’ vroeg Mente toen ik zojuist alweer beneden stond voor een glas koffie.

‘Als ik de eerste zin maar heb,’ zei ik. Dat was het hele gesprek.

Die eerste zin is er nog steeds niet.

 

Dit is waar het gedicht over gaat. Het begint tot me door te dringen dat dit gedicht een zo aanwezig bestaan leidt in mijn hoofd omdat dat juist mijn grote angst is: niet aangeraakt te worden, met twee handen vol vingers te zitten en er geen woorden mee te kunnen bakken, een mond vol tanden. Onderweg zijn voor een gesprek en je hebt geen idee wat je moet zeggen. Dit gedicht laat zien wat niet loskomt.

 

Wat dacht ik eergisteren toen ik mezelf met dit gedicht meende te verrassen? Had ik het gedicht willen interviewen. Maar dit gedicht is een ijverige werker, het staat op elk willekeurig moment strak geformuleerde betekenis te wezen en dan kom ik langs om wat vragen te stellen. Dit gedicht denkt niet na. En aan wie of wat vraag ik? Aan het gedicht, aan de aardster, aan de metafoor die het is?

 

hoe stuift

hij als hij niet wordt aangeraakt?

 

Een week geleden had ik kunnen zeggen: het is een pinkstergedicht.

Als ik zou gaan solliciteren of als een student opdraaft voor een tentamen, kun je dit gedicht als een steen tussen zijn ogen drukken. Misschien is het wel een gebed.

Het is de vraag van een gids van natuurmonumenten.

Het is de spiegel aan het begin van de dag. Een oproep.

Het is een tamelijk kort gedicht.

 

Chr. J. van Geel, Vluchtige Verhuizing. Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 1976.

Submit to FacebookSubmit to Twitter