door Len Borgdorff, 2 juni 2020


We lopen opnieuw de loods in, de deltametropool. Daarin ligt Nederland in stukken opgeslagen. Het blijft een beklemmende tocht, door de smalle gangen en langs al die stukken. Ze zijn niet op grootte gerangschikt, niet op kleur, niet alfabetisch. Misschien zijn ze wel op lettertype geordend en heeft de tekstverwerker ze vervolgens onder één type en grootte weggeschreven, Calibri 11 bijvoorbeeld. Regelmatig is er de suggestie van ordening: de loods is in vakken verdeeld, soms zijn stellages genummerd, soms zelfs de planken en af en toe kom je iets tegen waarvan je denkt dat het in combinatie met wat je eerder tegenkwam iets zinnigs zou kunnen opleveren. Maar heel veel verder helpt me dat niet.

 

 

Soms ook lijkt het of een verzameling stukken, laten we die een gedicht noemen, aan het eind van plank b begint, bij c verdergaat, zoals bij mij bundels van Lucebert over twee planken verdeeld zijn. Ik spring in de vorige zin van beeld naar beeld merk ik: stuk, gedicht, bundel. Het tekent mijn staat van verwarring.

 

Ik blader terug naar bladzij dertig. Daar blijf ik halverwege hangen. Eerst lees ik:

 

‘Die week was je gelukkig, rolde de kaart

over het origineel uit, ging routes na.’

 

En vlak daarna:

 

‘Ik rol de kaart

over het origineel uit en ga de routes na.’

 

Kaarten, plattegronden zijn inderdaad een bron van geluk. Er is met Google Maps en TomTom meer verloren gegaan dan het overzicht dat laat zien hoe de plek waar wij ons bevinden zich verhoudt tot zijn omgeving. Een kaart maakt de werkelijkheid overzichtelijk. De vreugde wanneer je een kaart uitspreidt over een motorkap en waarop je met je vinger een mogelijke route volgt. Het is voorbij. We zetten geen cirkel meer om de plaats waar we wezen moeten. We tikken wel wat in op een navigator, maar eigenlijk zijn we onze bestemming kwijt. We zien haar pas als we er zijn.

Maar kaarten zijn zoveel meer. Het zijn gedichten die de droom van kunstenaars verraden waarin de werkelijkheid samenvalt met het beeld en omgekeerd beeld met waarheid. Schepping en herschepping. Woord dat vlees wordt, lezen we in een tekst van 2000 jaar terug. Achterberg heeft zijn hele oeuvre gewijd aan de poging om een =-teken tussen droom en werkelijkheid te zetten. Dichters met meer realiteitszin, maar met diep in hun hart dezelfde droom, laten in hun gedichten het echec zien, maar bij Kouwenaar en Faverey zie je dat uit het besef van onvermogen toch die droom weer terugkomt.

 

Bij Chr. J. van Geel lezen we dit.

 

Wandelkaart

 

Geschetst het mulle en de moeite,

een zwarte lijn scheidt het van zee

het duin op kaarten ingetekend.

 

Het kan zijn korrels niet bewegen,

geen windvlaag waait er, niet begroeit het,

geen neemt het in zijn schoenen mee.’

 

Weer die droom. En Maarten van der Graaff mag dan heel Nederland in stukken hebben opgeslagen, ook hij is de romantische dichter die zo graag dat =-teken zou zetten in zijn poëzie. En misschien denkt hij zelfs wel dat hij dat daadwerkelijk doet, juist door het land in stukken, gefragmenteerd en overhoop gegooid in zijn poëzie aan te bieden. Omdat het land de facto in stukken ligt! Dan is hij niet zozeer een 21ste-eeuwer, maar een negentiende-eeuwse romanticus die onverhoopt voorbij de shredder van de twintigste eeuw in de 21ste is wakker geworden.

 

Je leest het ook. Bij Van der Graaf wordt de kaart tot twee keer toe uitgerold, eerst door de ‘je’, dan door de ‘ik’. Ik schrijf: uitgerold. De enige kaarten die ik uitrolde, waren oude kaarten van ‘Palestina in de tijd van Jezus’ of ‘De wereld van het oude testament’ bijvoorbeeld. Voor het overige heb ik alleen te maken gehad met kaarten die je uit moet vouwen en waarbij het papier op de vouwen makkelijk scheurt en het uit- maar meer nog het terugvouwen een moeizame aangelegenheid was.

Niet bij Van der Graaff. Hij rolt de kaart uit en dat doet hij waarschijnlijk met een joyeus gebaar. En hij volgt de routes met zijn vinger, alsof het hem gelukt is om beeld en werkelijkheid te laten samenvallen. Er is nog iets met dit beeld: als een kaart uitrolt dan heeft die de neiging om weer terug te rollen, tenzij er aan de uiteinden stokken zijn bevestigd. Zo niet, dan moet je de hoeken verzwaren met een ─ asbak wilde ik zeggen, zolang is het al geleden dat ik papier heb uitgerold ─ met een boek, een kopje en twee slippers.

 

Als ik verder lees bij Van der Graaff, begin ik inderdaad te geloven dat het om een kaart gaat zoals je in schoollokalen aantreft. De regels beginnen behoorlijk negentiende-eeuws te ruiken. Zien wij daar niet het jongetje lopen dat zijn bestemming zoekt in het grote woud van de wereld? Het jongetje dat we allemaal zijn en dat droomt van een toekomst met een heel groot =-teken?

 

‘Er is rond die tijd een kleine jongen aan komen lopen

met in zijn handen een landweg – zonovergoten – langs dennenbomen,

zwaar van iets archetypisch, iets brievenboekachtigs.

Je voelt gewoon dat je in Europa bent. Hier. Staatkundige vorming.’

 

lees meer

 

‘Daar drenkte ik mijn tabak in, zodat ik vijf slaapverwekkende sigaretten kon maken.

Soms ging ik het water in, waar ik dan niet echt wist wat ik moest doen.

Meestal dreef ik maar gewoon een beetje. Ipsum.

 

Het was de jaren zeventig en het werd de jaren negentig.

Daarna was het middelbareschooltijd.

 

Soms was het alsof je alleen in het zwembad lag

en de stemmen om je heen uit krakkemikkige luidsprekers kwamen.

Die week was het koel in de tunnel

en warm in het bos. Die week was je gelukkig, rolde de kaart

over het origineel uit, ging routes na.

 

Loop de weg op, een dierlijkheid

tegemoet. De doffe klap van iemands dagelijkse route

op dit met mentions bedropen skelet. Ik rol de kaart

over het origineel uit en ga de routes na.

Er is rond die tijd een kleine jongen aan komen lopen

met in zijn handen een landweg – zonovergoten – langs dennenbomen,

zwaar van iets archetypisch, iets brievenboekachtigs.

Je voelt gewoon dat je in Europa bent. Hier. Staatkundige vorming.’

 

En op dezelfde bladzij maar pas na 8 cm wit:

 

‘De fluisterboten van nog fantasielozer buurtbewoners meren aan.’

 

Maarten van der Graaff

 

Maarten van der Graaff, Nederland in stukken. Uitgeverij Pluim, Amsterdam / Antwerpen 2020

Chr. J. van Geel, Vluchtige verhuizing. Athenaeum – Polak & Van Gennep. Amsterdam 1976.

Submit to FacebookSubmit to Twitter