door Len Borgdorff, 19 mei 2020

'Van dichten comt mi clene bate', verzucht de dichter als hij zijn Beatrijs begint. Ik neem de zucht 650 jaar na dato over om hem vervolgens weer honderd jaar terug te laten gaan in de tijd en hem aan Willem de Mérode te geven.

Ik gun hem zijn zucht vanwege het gedicht dat ik lees op bladzijde 122 van zijn Verzamelde Gedichten. Ik schiet niet erg op.

 

 

Intussen heb ik De Mérode leren kennen als een man die zonder lach geboren werd en het lachen zich nooit eigen heeft gemaakt. Daarom geneer ik me een beetje voor mijn lachspieren als ik dit gedicht leest.

 

Lichte nacht

 

De nacht is licht van bloesemende boomen.

Elk tuintje is een tintelend tresoor

Van sterrenglans en bleeke bloemengloor,

Wier roken lauw langs alle paden doomen.

 

Als lichten, die u blijde nooden komen,

Lachen de lampen tusschen ’t loover door.

Een rij van grijze keien wijst het spoor

Ter deur, die wijkt, is nauw uw roep vernomen.

 

Zoo kom, eer ’t blauw der heemlen is verschoten,

De bloesemende boom, bedauwd en vaal,

De vochte lucht niet meer zal balsemijnen.

Het licht der flauwe lamp is haast vervloten. ─

 

De klink klirt in het duistere portaal…

Uw handen tasten teeder naar de mijne.

 

Het begint al bij de tweede regel waarin iemand al tuffend vanwege de ongelukkige en overdreven alliteratie een verschrikkelijk beeld oproept van een ‘tuintje’ (verschrikkelijk verkleinwoord) dat een ‘tresoor’ is. Ik denk aan afrikaantjes en kaapse viooltjes ingeklemd tussen de veel te nauwe begrenzing van een tuintje voor het huis. Dit kun je toch niet menen! En twee regels voorbij dat tresoor, ingeklemd tussen andere tuintjes, gaat het plots over ‘alle paden’. Dat roept een weidsheid op die ik niet achter die tuintjes had gezocht. Weer twee regels verder kom ik lachende lampen tegen. Tja, wordt er toch een keer gelachen, zijn het de lampen.

De voorlaatste regel maakt veel goed:

 

‘De klink klirt in het duistere portaal…’

 

Ik ken het woord ‘klirren’ niet, maar dat kan in het Groningen van 1910 anders geweest zijn. In het Duits bestaat het woord (nog) wel, maar ook zonder de hulp van die taal is duidelijk dat het ‘rammelen’ betekent. Maar klirren zal korter zijn, de klinkt rammelt of knarst maar even, zoals de deurknop doet als ik later naar bed ga dan Mente en haar niet wakker wil maken.

 

Als ik De Mérode was geweest, had ik het hele gedicht weggestreept om alleen deze regel over te houden. Ik zou hem op een schoolbord willen schrijven en tegen leerlingen willen zeggen om er vijf minuten naar te kijken. Kop dicht, handen op tafel, nee, zonder pen. Alleen maar kijken. Pas daarna mag je een pen pakken.

 

‘De klink klirt in het duistere portaal…’

 

Daarna mochten ze in tien minuten opschrijven wat ze met die regel zouden willen doen. Met aanzetten komen voor een gedicht, over dood, over nieuw leven, plots voor een thriller, een film, een verhandeling over het belang van goede verlichting.

 

De dichter zou ervan zuchten. Hij schreef het gedicht op 2 mei 1912. Bijna iedere dag schreef hij wel een gedicht. Dit gedicht heeft hij niet weggegooid. Hij nam het ook niet op in een dichtbundel en blijkbaar is het zelfs te licht bevonden om ooit in een tijdschrift op te nemen. Heel veel gedichten van De Mérode zijn indertijd door hem te licht bevonden voor publicatie. Het is daarom bijzonder sneu dat honderd en meer jaren na dato een of ander kereltje zich vrolijk zit te maken over een mislukt gedicht dat de dichter hem nooit had willen laten lezen.

 

In de Verzamelde Gedichten nam Hans Werkman naast de door de dichter zelf gebundelde gedichten nog ruim 400 andere gedichten op die de dichter zelf later aan de kant legde. Daar hoort dit gedicht bij. Daar kan de dichter niets aan doen. Hij zou er misschien van hebben moeten zuchten.

Maar dat zou hij misschien ook gedaan hebben vanwege ´Avond aan zee´, een lang aangenaam meanderend gedicht uit 1911. Dat is toen weliswaar een keer in een tijdschrift opgenomen, maar vervolgens heeft De Mérode het aan de kant gelegd. Het kwam nooit in een door hemzelf samengestelde bundel terecht. Gelukkig gaf Werkman het een plek.

Het is te lang om hier op te nemen, maar ik vond het gelukkig op internet.

 

https://gedichtendatabase.willemdemerode.nl/avond-aan-zee/

 

Willem de Mérode, Verzamelde Gedichten. De Prom, Baarn 1987

Submit to FacebookSubmit to Twitter