door Len Borgdorff, 12 mei 2020


‘Wat een geprangd gemoed’ zei de schrijver die me vorige week een mailtje stuurde. Dat zei hij omdat hij er in deze tijden toe was gekomen om gedichten van Willem de Mérode te gaan lezen van wie hij de Verzamelde Gedichten in de nalatenschap van zijn vader had gevonden. Die heb ik ook in de kast staan en zo ontdekte ik dat de schrijver aan het eind van het eerste van de twee delen was gekomen, ergens in de buurt van bladzijde 700, toen hij zijn mailtje schreef.

 

Ik heb het boek niet teruggezet, vond dat ik het voorbeeld van de schrijver maar moest volgen, maar ik schiet niet op. Al bij het eerste gedicht sla ik zijwegen in, waarvan de zijweg in deze In Poësis er maar eentje is. Van een jonge herder dit gezegd wordt:

Zijn jonge leden loom in ’t hooge gras gelegen,
Staart hij den hemel toe, een glimlach om den mond,
Terwijl zijn rechterhand, in onbewust bewegen,
De kroeze haren streelt des ruigen herdershond
.’

Het tweede couplet blijft bij de hond hangen, maar dan gaan we weer naar de herder terug:

Hij staart den hemel toe, en stooft zijn jonge leden:
Zijn bruine beenen, bloot tot aan den korten broek,
Zijn armen sterk en slank; half ’t open hemd ontgleden
Zijn stoere schouderen, rechthoekig, breed en kloek.


‘De jonge herder’ werd geschreven tussen 1910 en 1915.

Terwijl ik ‘De jonge herder’ las, schoof daar meteen het beeld van de schippersjongen uit Zijlstra’s gedicht ‘Navigatie’ overheen. Datzelfde verlangen. Dat gedicht van Jaap Zijlstra staat in Ik zie je zo graag, een bundel met homo-erotische gedichten die tachtig jaar later verscheen, in 1991. Die wilde uitgeverij Kok toen niet uitgeven en daarom kwam de bundel uit bij De Prom. Het is de poëtische coming-out van Zijlstra.

In beide gedichten is er wel bijzonder veel aandacht voor de verleidelijke slaap van een jongeman. Bij Zijlstra is het verlangen van de man die de schippersjongen op het dek ziet slapen evident.

Navigatie

 

De jongen op het voordek sliep,

wie zou de scheepvaart niet bezingen,

de lof der maritieme dingen,

het smaldeel dat mij vreugde schiep.

 

Ter hoogte van de Hoekse Waard,

waar bruggen naar de einder springen,

zag ik de trots der schepelingen,

de glorie van de binnenvaart.

 

Eén oogopslag keek hij het aan

en sliep weer in. Mocht ik bedingen

een springtij op Grevelingen

en dan bij hem aan ’t roer te staan.

 

Bij De Mérode is er helemaal geen sprake van een ik die zijn wel zeer welwillende oog op de jongeman laat vallen. Het ik heeft zich verstopt in een verborgen verteller.

Een verborgen verteller kan zelfs in het hoofd van de herder kruipen om hem te laten dromen van een leven met een lieve vrouw en een dierbaar kind.

Zo ver komt de man op de brug bij Zijlstra niet. Die geeft lucht en licht aan zijn eigen emoties bij de aanblik van zoveel mannelijke schoonheid.

 

De Mérode verdiept zich in het beeld van de aanlokkelijke jongeman en gaat zelf achter de deur staan. Maar het kan niet anders of hij zou het liefst zelf de hond zijn van de herder die in zijn slaap

‘in onbewust bewegen

De kroeze haren streelt des ruigen herdershond.’

 

Ik lees het gedicht van De Mérode nog een keer. Nu zie ik een man voor me die ’s avonds in zijn kamer zit, een toegewijde schoolmeester uit 1910: een tafel vol boeken, een stoel, een plant, een kleine reproductie, een kamer waarin het ondanks de kachel vaak kil is.

Hij zit aan zijn tafel en hij tekent wat hij droomt: een mooie herder op het veld. Morgen staat hij weer voor de klas en onderwijst de jeugd van Uithuizermeeden, nee, hij schrijft wat hij in zijn hoofd ziet uitgetekend, volledig ingehouden wellust, kiem van een geprangd gemoed. Halverwege De Mérodes eerste bundel lees ik:

 

‘Omdat wij minnen en zoo eenzaam zijn;

Omdat wij minnen en niet mogen spreken.’

Dit was het eerste gedicht van De Mérode. Het staat op bladzijde 16. Het laatste vind ik op bladzijde 150.

We kunnen nog even vooruit.

 

Lees meer

 

De jonge herder

 

Zijn jonge leden loom in ’t hooge gras gelegen,
Staart hij den hemel toe, een glimlach om den mond,
Terwijl zijn rechterhand, in onbewust bewegen,
De kroeze haren streelt des ruigen herdershond.

 

Die, immer waaksch gezel, richt zich, met nijdig grommen,
Wanneer een nukkig schaap te ver de vlakte in dwaalt,
En legt zich langzaam neer, om nog wat na te brommen,
Terwijl hij, hijgende, zijn korten adem haalt.

 

Hij staart den hemel toe, en stooft zijn jonge leden:
Zijn bruine beenen, bloot tot aan den korten broek,
Zijn armen sterk en slank; half ’t open hemd ontgleden
Zijn stoere schouderen, rechthoekig, breed en kloek.

 

Hij staart den hemel toe, en droomt van vee en weiden,
En hoe naar ’t needrig dak in ’t tierig elzenhout,
De hamel, tinkelend, zijn schapen zal geleiden,
Terwijl de rappe hond de kudde samenhoudt.

 

Hij droomt zijn vrouw, ter deur, zoo frisch als ’t meisjen heden,
De handjes uitgestrekt een kraaiend kind ten arm.
Dan vaart een siddering hem gloeiend door de leden,
En, blozend tot zijn haar, voelt hij zich blij en warm.

 

Zoo ligt hij tot de hond hem opwekt; droomverloren
Grijpt hij den krommen stok en drijft het vee ter kooi,
En siddert nog en lacht, en, stootend, uit den horen,
Klinkt ’t jolig herderslied: wat is de wereld mooi.

 

En, later, slapend op zijn duffe legerstede,
(In zijn herinnering één glorie is de dag),
Droomt hij van ’t eigenst schoon, en glimlacht zoo te vrede,
Of hij in ’t frissche veld bij de eigen kudde lag.

Willem de Mérode

 

Willem de Mérode, Verzamelde Gedichten. De Prom, Baarn 1987

Jaap Zijlstra, Verzamelde gedichten. Uitgeverij Kok, Kampen 2010

Submit to FacebookSubmit to Twitter