door Els Meeuse, 8 mei 2020

Maarten Biesheuvel, die terecht de koning van de korte verhalen wordt genoemd, is de grens van 80 jaar inmiddels gepasseerd. Ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis werden de verhalen waarin zijn geboortestad Schiedam een rol speelt, gebundeld. Hoewel een deel van de verhalen inmiddels ook digitaal in De Bibliotheek der Nederlandse Letteren beschikbaar is, heeft de bundel toch een meerwaarde.


Na een boeiend en uitgebreid voorwoord van Erik de Bruin, die een begin lijkt te maken met een biografie van Biesheuvel, duiken we de oorlog in. We zien in de verhalen het kinderlijke geloof van Martie (zoals hij thuis werd genoemd) en hoe dit geloof door een flinke bom aan flarden wordt gescheurd. Het schrijversbloed stroomt gymnasiast Martie door de aderen. Op de middelbare school al weet hij dit om te zetten in publicaties in de schoolkrant. Hij maakt kennis met zijn latere vrouw Eva, die helaas onlangs overleden is, en raakt op slag verliefd op haar. Ze is afkomstig uit een atheïstisch milieu en dat zet aan het denken. Na zijn kennismaking met Karel van het Reve neemt deze de plaats van God voor hem in. Hij laat het geloof van zijn ouders achter zich, maar in de verhalen komt het nog regelmatig in verwijzingen terug.

Eenzaamheid, angst, God, de zee, krankzinnigheid – Biesheuvels bekende thema’s komen allemaal in de verhalen naar voren. Biesheuvel weet persoonlijk doorleefde emoties om te zetten in woorden. Veel van wat hij beschrijft zal op de werkelijkheid berusten. Maar je vraagt je tijdens het lezen van de bundel al wel snel af: wat is waar en wat is verzonnen? Hier en daar spreken fragmenten elkaar tegen. En ja, ieder die autobiografische verhalen schrijft, weet dat volledige autobiografie niet mogelijk is. Autofictie thematiseren is vaak een middel om lezers bewust te maken van de rol van verbeelding in het leven. Biesheuvel lijkt met terugwerkende kracht in de verhalen zijn eigen leven te creëren. Hij doet dat op een meesterlijke manier in een verhaalvorm die hij tot in detail onder de knie heeft en de P.C.-Hooftprijs, die hij in 2007 toegekend kreeg, waardig is. Maar er is ook een andere kant.

De manier waarop Biesheuvel het geloof vervangt door fictie begint al lezend steeds meer te irriteren. De intertekstualiteit met de bijbel is vaak weinig functioneel. Biesheuvel centreert in zijn verhalen de gedachte dat het leven fictie is, niet meer dan dat. En hij is niet de enige schrijver die er zo over denkt. God is dood, zegt het merendeel van schrijvend Nederland. Schrijvers nemen de scheppende rol over. Maar literatuur is geen vervanging van het geloof. Niet voor iedereen tenminste. Lezen vraagt geloof van de lezer. Lezen kan tot geloof leiden. Lezen over geloof brengt je als het goed is in verbinding met het leven.

De meerwaarde van deze bundel is vooral gelegen in de unieke samenvoeging van de verhalen en de uitgebreide biografische toelichting vooraf. Het verhaal Godencirkel sluit af met een fragment dat de verhalen van Biesheuvel, waarin zijn levensvisie vervat ligt, kernachtig samenvat. Het is een creatieve bewerking van het ‘cogito, ergo sum’: ‘Non sum, sed cogito parentes, vitam, universum, mortemque.’ (Ik besta niet, maar ik beeld mij in: mijn ouders, het leven, het heelal en de dood.) Een levensvisie waarin weinig hoop doorklinkt: een vlucht uit de realiteit, geen intense beleving en verdieping van het leven. Dat zorgt er uiteindelijk voor dat je als lezer achterblijft met de vaak negatieve emoties die Biesheuvel op een machtige manier op papier heeft gezet.

J.M.A. Biesheuvel, Een Schiedamse jongen. Uitgeverij Scriptum, Schiedam 2019, 252 blz., € 20,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter