door Len Borgdorff, 5 mei 2020


Sinds kort staan alle dichtbundels keurig in de kast, alfabetisch, recht in het gelid en met de onderkant van de ruggen strak op de rand van de planken.

Vaak is dat niet goed voor de poëzie. Beter is het om hier een daar een bundeltje neer te leggen. Eentje op het bankje in de kamer, een naast het bed, een derde op het bureau en dan een vierde… in ieder geval niet op het toilet. Ik heb wat moeite met die combinatie.

 

 

Na dit stukje ga ik het meteen doen, dat van die bundels. Gisteren stond ik voor de kast en het leek erop alsof mijn rechterhand zonder mij besloot om een bundel van Pessoa te pakken. Zo was het niet, de hand gehoorzaamde aan wat zich een paar dagen daarvoor al in mijn hoofd had genesteld toen een melancholieke oud-collega me vertelde dat hij als de omstandigheden anders waren geweest die dag naar Portugal zou zijn gegaan. Hij is een liefhebber van Pessoa.

Pessoa is heel goed voor mensen die naar Portugal hadden willen gaan, maar nu thuisblijven. Ook voor thuisblijvers die sowieso niet weg zouden gaan, maar het sluipenderwijs als een vorm van vrijheidsberoving gaan ervaren dat ze daarvoor niet eens meer kunnen kiezen. We leven in een bij uitstek romantische tijd waarin nog meer dan anders het geluk zich daar lijkt te bevinden waar je niet bent. Fernando Pessoa was nogal een thuisblijver en zijn hoofd was van kelder tot nok vol geladen met wat hem ontbrak. Daar zitten prachtige dingen tussen.

 

De bundel waarmee ik in een zonnige royaal bebloemde achtertuin zit, met vogeltjes die me regelmatig afleiden, heb ik al eerder gelezen, niet lang geleden, want deze editie is pas een jaar oud.

Er zijn regels onderstreept, bij andere staat een kruisje en er zijn er ook nogal wat waarbij het alle twee is gebeurd. Het zijn allemaal regels die zich lenen voor een fietstocht om de woorden eens rustig te herkauwen. In Ongerijmd Uur kom ik zoveel potlood tegen dat ik besluit om het nu maar over te slaan. Ik heb dat gedicht een half jaar geleden al gebruikt voor een stukje.

 

Het is al te laat. Het gedicht is een opeenstapeling van beelden die stuk voor stuk zeer droef kunnen stemmen maar waarvan ik vreemd genoeg ook vrolijk word. Omdat ze zo goed gevonden zijn.

We krijgen te maken met 25 kwatrijnen met tamelijk lange regels in omarmend rijm, volrijm voor elke eerste en vierde regel en klinkerrijm voor de tussenliggende. Er staat een datum onder: 4 juli 1913. En alles wil de indruk wekken dat deze honderd (!) regels in, zoals de titel suggereert, in één enkel uur geschreven zijn. Het zou zomaar kunnen, afgezien van wat schuur- en slijpwerk achteraf.

Dat is dan wel een bijzonder uur geweest. Waar het precies geschreven is, onder welke uiterlijke omstandigheden zou ik niet weten, maar ik denk dat op dat uur in de directe omgeving alle energie naar het hoofd en de hand van de dichter is gegaan en dat de hoge gevels van Lissabon allemaal lichtjes naar de kant van de dichter kromden. Dat vermoed ik toch: dat het gedicht daar geschreven werd.

 

Deze regel is zowel onderstreept als voorzien van een kruisje:

 

‘Dit landschap is een manuscript waaruit de mooiste zin werd geschrapt...’

 

In het grotere geheel van het gedicht is ‘dit landschap’ een beeld, dus het manuscript is beeld van een beeld. Maar het zal toch maar gebeuren! Stel je eens voor dat Nescio in De Uitvreter de regel ‘Geheugen voor landschap’ had weggeschrapt. Als Arne in Nooit meer slapen niet regelmatig ‘Perhaps’ had gemompeld, als in Van Oude Menschen de vogeltjes niet steeds meegezongen hadden. Of als we in Het Uur U niet hadden kunnen lezen dat de daad die men naliet meer kwaad gedaan heeft dan de daad? Maar misschien is uit ditzelfde gedicht van Nijhoff deze passage nog mooier:

 

‘Met zijn handen op zijn rug

- waar kon hij ze hebben gedaan

met niets dan een badpakje aan? –

riep de kleinste: ‘Belt die bel?’

De bel belde. En hij: ‘Zie je wel,

bellen doen auto's niet.’’

 

We gaan weer naar Pessoa. In zijn gedicht is het manuscript een beeld en dat geeft me de vrijheid om weer een andere kant uit te dromen en me af te vragen waarin ik me had ondergedompeld gevoeld als er niet ooit de heldere blauwgrijze ogen waren geweest, lucht en zee tegelijk, van het meisje op wie ik verliefd werd, als door haar schepper die ´zin´ uit haar verschijning was weggeschrapt en hij had gedacht: doe maar bruine, of doe deze keer maar geen ogen.

Ik kijk even op, ga de begroeiing langs om te zien wat de mooiste zin is van mijn achtertuin. De tulpen in allerlei zachte kleuren zijn kommetjes die stuk voor stuk van kleurig licht zijn, de azalea roept: ‘Heb je wel eens gezien wat lila is? Nou, DIT IS LILA!’ Maar de mooiste zin van de tuin is de clematis in de hoek.

 

Ik keer terug naar de bundel op mijn schoot. Het is ongepast om uit regels die met elkaar van zoveel wanhoop getuigen er eentje te plukken en er dan zo opgewekt van te worden.

 

En lees verder.

 

‘[…] Door het goudgele graan

trok een verzuchting dat het niet de zee was...’

 

‘Het beeld is leuk, maar dat verzuchten…’ We mogen maar gelukkig zijn met zoveel droefgeestigheid.

 

Wat de mooiste zin is van dit gedicht? Even dacht ik het te weten. Heel even maar.

 

Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf. Een keuze uit de orthonieme gedichten. Vertaling Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2019.

 

In In Poësis 170 en 172 werd ook gekozen voor regels uit deze bundel.

Submit to FacebookSubmit to Twitter