door Len Borgdorff, 21 april 2020

Ook Grand krijgt de pest en Dr Rieux is erbij als de nacht komt waarin hij zal sterven. Ik heb het over De Pest van Albert Camus, die indrukwekkende symfonie die vijftig jaar ongelezen in mijn boekenkast stond.

Daarin heeft Grand zijn eigen muzikale lijn, net als vijf andere personen in het boek. Die van Grand is me heel dierbaar geworden. Hij komt het boek in als een ambtenaar van de burgerlijke stand, ooit patiënt van Rieux, die niet hoefde te betalen indertijd omdat hij te armlastig was.

 

 

Als de pest nog een epidemie moet worden, neemt hij contact op met de arts omdat een medehuurder zich heeft verhangen. ‘Ik heb hem net bijtijds afgeknoopt,’ vertelt hij als Rieux is gearriveerd. De verteller voegt eraan toe dat Grand ‘altijd de indruk maakte moeilijk uit zijn woorden te komen, hoewel hij zich toch heel eenvoudig uitdrukte.’

 

Het is het begin van een vriendschap waarin Grand, even bescheiden als nauwgezet, de onmisbare rechterhand wordt van de dokter. Grand vertelt van zijn eerste gesprekje met de zelfmoordenaar, Cottard. Ze ontmoetten elkaar in het trappenhuis toen Grand een doosje met rode en blauwe krijtjes had laten vallen. Cottard hielp met oprapen, maar vroeg natuurlijk wel waar de oude man die krijtjes voor nodig had. Dat was om zijn Latijn op te halen. ‘Sinds het Lyceum had hij er veel van vergeten.’

Dit tekent Grand, zoals het hem ook tekent dat hij zich als ambtenaar geschikt heeft in zijn lot van iemand die ten onrechte te slecht betaald krijgt voor zijn werk omdat hij voor een protest niet de juiste woorden kan vinden.

 

Grand is een dichter, maar dan eentje met wie Özcan Akyol korte metten zou maken: te weinig mediageniek. Grand weet trouwens helemaal niet dat hij een dichter is, maar hij is het. En het is zijn poëzie die hem in leven houdt.

Die poëzie beperkt zich tot één zin, die de opening moet zijn tot een monumentaal werk waarvan de mensheid zal zeggen: ‘Hoeden af!.’ Daarom moet die zin perfect zijn.

 

De omstandigheden zorgen ervoor dat Grand zijn tientallen jaren gekoesterde geheim van die ene zin deelt met Rieux en later ook met Tarrou. De twee gaan zorgvuldig om met deze bekentenis. Het duurt een tijdje, maar dan laat Grand de zin aan zijn vrienden lezen.

 

‘Op een mooie ochtend van de maand mei reed een elegante amazone op een prachtige vos door de bloeiende lanen van het Bos van Boulogne.'

 

Hij voegt er even later aan toe: ‘[…] als mijn zin het ritme heeft van de draf, een-twee-drie, een-twee-drie, dan zal de rest gemakkelijker gaan en […]’

Een tijd later is de zin veranderd in:

‘Op een mooie meimorgen snelde een slanke amazone, gezeten op een prachtige vos, door de bloeiende lanen van het Bos van Boulogne.'

Later wordt de vos een ‘zwarte vos’, maar dan vertelt Rieux dat een vos niet zwart is. Grand is geschokt. Tarrou stelt ‘zwierige vos’ voor. De mannen proberen als kunstenaars te kijken naar het beeld dat de zin oproept en zo verandert ‘bloeiende’ in ‘vol van bloemen’ Maar als Grand de zin hardop voorleest, gaat hij teleurgesteld weg.

 

Op zijn sterfbed vraagt Grand of Rieux hem het manuscript wil geven, vijftig pagina’s met steeds variaties op diezelfde zin. Hij drukt het aan zijn hart zoals elders in het boek de priester Paneloux (ook al een prachtige melodielijn) een crucifix aan zijn hart drukte toen hij stierf.

Maar dan gebaart Grand dat de dokter het pakje papier in de kachel moet gooien. Rieux twijfelt, maar uiteindelijk doet hij wat zijn stervende vriend verlangt.

 

Grand sterft niet! Rieux had het al voorspeld, maar ik las er in eerste instantie overheen. De ambtenaar is een van de eersten die uiteindelijk geneest van de pest en niet heel veel later is hij niet alleen weer de administratieve spil van de bestrijding daarvan, hij is ook weer bezig met zijn ouverture. Hij laat alle adjectieven weg.

 

Dat zou er dan zo uitzien:

Op een ochtend in mei snelde een amazone, gezeten op een vos, door de lanen van het Bois van Boulogne.

Zoiets.

 

Het is de romp van een openingszin van een monumentaal werk. Het begin van iets dat alle kanten uit kan groeien.

 

Vijftig jaar stond De Pest ongelezen in mijn boekenkast. Jarenlang een meesterwerk gemist. Dat spijt me.

 

Albert Camus, De pest. Vertaling Willy Corsari. De Bezige Bij, Amsterdam 197015.

Submit to FacebookSubmit to Twitter