door Len Borgdorff, 24 maart 2020

‘Je hoofd heeft geen muziekcentrum,’ zei David tijdens de repetitie van de cantorij. ‘Er is geen plekje in je hersenen waar muziek is opgeslagen. Muziek zit in de verbinding.’ Dat heeft hij geleerd van Erik Scherder, vertelt hij. Veel tijd om hierover na te denken, had ik niet. We waren bezig een muziekstuk in te studeren en ik kon mijn hoofd nu maar beter even bij de cantor houden, en bij de partituur. Toen de repetitie voorbij was, dacht ik niet meer aan Davids minicollege.

 

 

Ik zit te bladeren in de bundel Fantoommerrie van Marieke Lucas Rijneveld. Daarin opent een gedicht met ‘De hele nacht godvergeten staan spitten in het geweten. […]’ De voorlaatste regel van dat gedicht: ‘[…] ofschoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’ Dat zingt de ‘je’ in dit gedicht terwijl ze voorzichtig vlinders in servetten wikkelt en ze naar een beter leven wiegt. Godvergeten, en dan eindigen met een gebedje.

 

Ik blader een paar bladzijden terug, naar elders in de bundel. In het gedicht ‘Nachtschade’, lijkt de stotteraar, dat is een stro-pers,

‘bang […] voor God die als een vogelverschrikker in het midden / stond.’

 

Lees gedicht

 

Nachtschade

 

Zoals je bij kippen aan de oorlellen kunt zien wat voor kleur
eieren ze leggen, zo zou je aan het meisje de jongen in haar
moeten herkennen. De stro-pers op het land is een stotteraar,
boer Sanders kreeg ooit een kat in zijn machine, het arme beest
werd als een slagroomzak leeggemaakt, gladgestreken tot een
sterk verhaal. Na het hakkelen gingen de mannen verder, het
viel niet op dat het meisje onderhuids spierballen verstopte,
eigenheimers die midden augustus geoogst werden: wil je een
jongen worden riepen ze vanuit hun tractoren waarvan de motor
het antwoord in een stropak verstopte, touw eromheen,
colaflessen gevuld met water omdat ze dorstig werden van de
stotteraar die steeds als een kraai van zijn prooi werd gejaagd,
bang was voor God die als een vogelverschrikker in het midden
stond. Sjekkies werden gedraaid, het weer voor de avond
besproken, en hoeveel graszaad er in de pakken zat verwerkt,
zweet aan armen afgeveegd waardoor deze bruinglanzend als
de bovenkant van goedgebakken cake op hun knie kwamen te
liggen. Vrouwen kwamen met koffiekannen, voelden aan het stro,
wisten de hoeveelheid klontjes suiker voor iedereen, melk of
zwart. Als je wijdbeens zit ben je een passer die de cirkel maar
niet rond kan krijgen, ze had op de verroeste tractor kunnen
gaan staan en schreeuwen: een eigenheimer is een zonderling
die enkel in duisternis tot bloei komt maar eenmaal boven de
grond loopt hij kans op nachtschade als hij te lang in het licht
blijft liggen, er niets mee gedaan wordt, ik wil net als alle andere
jongens een uitloper. Maar ze liet de hooizolder tot aan het
plafond vullen, vreemde boeren haar bovenarmen betasten:
eigenheimers horen stevig aan te voelen, en zo lag ze ’s nachts
in bed de schade te beperken, striemen van touwen in haar
handpalmen, snot zo zwart dat het leek alsof ze vanbinnen
barstte van vruchtbare potgrond.

 

Marieke Lucas Rijneveld

Ik heb me God wel voorgesteld als een groot, zwart gat, een gat dat aan de oppervlakte komt. Het is geen echte afwezigheid, maar eentje die tegelijk aanwezigheid tevoorschijn roept én de volstrekte onmogelijkheid van mensen om tot de essentie van die aanwezigheid oproepende afwezigheid door te dringen. En dat gat, deze afwezigheid is dan het zuiverste beeld van God. Je ziet wat er niet is door wat er wel is, door de residuen van het niet.

Dat maakt ieder beeld ontoereikend. Ook de vogelverschrikker lijkt wel op een zwart gat, uitgesneden in helder zomerblauw. Maar waarom niet omgekeerd? Of waarom is dat zwarte silhouet, die aanwezige afwezigheid in de lucht niet gewoon hemels blauw?

 

Goed, en terwijl ik dit dus lees bij Rijneveld, valt me die opmerking van David weer in tijdens de repetitie van de cantorij. Muziek zit niet ergens, muziek zit in de verbinding. Zoals God niet bestaat, maar gebeurt, al word ik altijd wel een beetje nerveus van deze opmerking. Prettig is wel dat muziek dynamiek veronderstelt, wat je van een zwart gat niet zo gauw zegt. Beide zijn beeld, jawel, en alle twee ontoereikend, ze doen het maar even en raken de kern niet.

 

Muziek zit in de verbinding, ze volstrekt zich in de aanwezige stilte. Ze bestaat in wat ze ontkent. Stilte is ongevonden geluid, dat soms muzikaal uitbarst.

 

Oek de Jong laat zijn roman Zwarte Schuur scharnieren om het schilderij dat Grünewald maakte van de kruisiging van Christus. Hoofdpersoon, de kunstschilder Maris Coppoolse, vergaapt zich eraan op een dieptepunt in zijn bestaan. Al heel lang komt er geen werk meer uit zijn vingers en bij niemand is hij nog thuis. ‘Mijn God, mijn God…’ zou ook Maris Psalm 22 kunnen nazeggen.

Na het bezoek aan het schilderij in Colmar komt er voorzichtig melodie in zijn leven, al zou je dat niet denken wanneer hij het verminkte heroïnehoertje Ilse ontmoet die hem er ondanks zichzelf toe brengt om weer te gaan schilderen, wat resulteert in de reeks ‘After Grünewald’.

 

Terug naar de vogelverschrikker midden op het veld, dat zwarte gat, die hemelse uitsparing die als God in het veld staat.

 

In plaats van Psalm 22 hoor ik 42, die van Mendelssohn. In mijn hoofd, waar ik er blijkbaar geen vast plekje voor heb, dus ik hoor muziek die er niet is en waarin ongezongen gezongen wordt, gesmeekt wordt om een God die het laat afweten, maar die intussen wel stilletjes wordt toegezongen, godvergeten aanwezig, ‘zu dir, zu dir.’

 

Het wordt zo langzamerhand tijd voor een heldere conclusie.

 

Marieke Lucas Rijneveld, Fantoommerrie. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 2019.

Submit to FacebookSubmit to Twitter