door Len Borgdorff, 17 maart 2020

Het telefoongesprek kreeg een wat merkwaardige wending. Eten en slikken gaat mijn neef toch al tamelijk moeilijk af. Als straks bestraling en chemo wat verder gevorderd zijn, zal dat er niet beter op worden. Daarom heeft men de afgelopen week alvast een sonde aangebracht waardoor voedsel rechtstreeks in zijn maag komt. De weg naar de eigenlijke behandeling ging al gepaard met de nodige hobbels.

 

Als ik mijn neef bel, klinkt zijn stem beroerder dan de vorige keer, maar na vijf minuten is hij weer aardig op dreef en is er geen sprake van dat ik hem om zijn moeizame stem en aangetaste keel zou moeten ontzien. Een half uur aan de telefoon is hem te kort en hij voert het woord.

 

 

Er komen duidelijke beelden langs. Neef is als beeldend kunstenaar visueel ingesteld en hij heeft gevoel voor effect, meestal gaat het daarbij om lachwekkende understatements.

Vandaag komen we via een luchtbed en makkelijk opvouwbare tentjes terecht bij een rondgang langs allerlei ledematen en andere lichaamsdelen. Als student bij Minerva werd hij daarmee geconfronteerd bij bezoekjes aan het academisch ziekenhuis. Hij kwam er van alles tegen waarmee een mens is toegerust: armen, benen, een hart, een lever. Dat tekende hij dan na. Die stonden op sterk water. Soms voorzag hij een dode hand bijvoorbeeld nog van een pen, of een zorgvuldig nagetekend hart van ‘mama’. Zoiets. Zo kijkt hij momenteel naar zichzelf, als een verzameling onderdelen waarmee hij zich bezig houdt alsof het niet om hem gaat. Het toeval wil dat hij datzelfde ziekenhuis van toen nu een paar keer per week bezoekt, maar nu als patiënt.

 

Toen ik hem een paar weken geleden zag, was hij nog magerder dan anders; nu vertelt hij me dat hij nog minder woog.

We lachen veel, tijdens ons telefoongesprek, maar ook zie ik hem voor me. In stukken. Een verzameling afzonderlijke delen op zijn tweezitsbank.

 

‘de mens die het zwikkie bijeen dacht’  zegt Knibbe.

 

Dat gedicht begint zo: ‘Hoe doe je dat, heengaan?’ Daar is de neef althans niet mee bezig en ook zijn omgeving is alleen maar bezig met hiernumaalse narigheid. Natuurlijk gaat er wel eens een steelse gedachte een andere kant uit, maar die jagen we terug in zijn hok.

Het derde gedicht uit de reeks Vertrek van Hester Knibbe begint er wel mee:

 

‘Hoe doe je dat, heengaan?

 

Je leegt als je tijd hebt je zakken

stalt alles uit op een tafel, zegt: dit

ben ik dat was ik neem wat je wilt of

van jou is, wat ik vergaarde

 

ligt hier?’

 

Na het telefoongesprek pak ik het gedicht erbij. Dat komt door die uitgestalde stukken, maar ik lees ook ter bemoediging, want de bundel voert verder: na de ellende wordt het daarin tijd voor iets heel anders.

 

Op de antiekmarkt in Tongeren trof ik tien jaar geleden een christuscorpus aan. Het moet er al beroerd uitgezien hebben toen het nieuw was, maar daar op die markt lag het in stukken: het corpus was telbaar geworden, lag in delen uitgestald, en de verf van die delen was zwaar beschadigd. Zwarter kan het lijden van Christus niet worden neergezet. Het corpus van Tongeren heeft Pasen niet gehaald. Volgens het Bijbelverhaal gebeurde dat wel.

 

Het is tijd voor je voeten om bloot

in het zand van de wereld te toeven.

 

Dat lees ik in het laatste gedicht in de bundel van Hester Knibbe. Volgens de medici van het UMCG komt het met de neef ook goed.

 

 

Hester Knibbe, Inzake dit huis. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2020.

Submit to FacebookSubmit to Twitter