door Len Borgdorff, 10 maart 2020

 

Ik sta aan de andere kant van een nacht die ik weliswaar slapend maar toch erg onrustig heb doorgebracht. Opnieuw hadden we ons oude huis teruggekocht, het huis aan de singel. Dat steekt iets boven de andere huizen uit en dat betekent dat het bovenste deel van de zijmuren is blootgesteld aan de wind.

Daarom werden er aan de zo getormenteerde westkant platen van zink aangebracht. Dat gebeurde heel secuur, de loodgieters hadden plezier in het klusje.

Ik vond het geen gezicht.

 

 

Nadat ik de zolder had geïnspecteerd op mogelijke lekkages en alles in droge staat had aangetroffen liep ik de trap af. Toen golfde er in één keer zoveel water over me heen dat ik me verslikte en wakker werd.

Ik moest er nodig even uit.

 

Bij de paar stappen over de overloop wankelde ik. Ja, daar voert ook een trap naar de benedenverdieping. Bij waken en slapen zit de nacht vol gevaren. En niet alleen de nacht.

 

Het ging allemaal goed en minder slaapdronken liep ik even later terug naar bed. ‘Omdat wij van onszelf geen huis zijn,’ leert Kopland ons, maar ik denk toch dat ikzelf dat oude huis ben uit mijn droom, dat huis aan een singel waarvan de loop jarenlang onderbroken was, een dode arm. Nu wordt dat weer ongedaan gemaakt. Ik ben behoorlijk bijgetrokken van vorig jaar, en opgelapt en opgeknapt.

 

In Inzake dit huis, de nieuwe bundel van Hester Knibbe, vergaat er het nodige leven, maar na het virus dat leven wil aantasten is er telkens ook de roep om een uitbraak, nee, om uit te breken.

 

De cyclus Opnieuw wonen begint met dit gedicht.

 

*

 

Laten we weer gaan wonen in het oude

huis ook al is het beschadigd, dat

herstellen we wel, later, en dan nemen we de oude

hunker als bed, gaan zitten in oude verhalen, zetten

de borden tussen de butsen op tafel, scheppen ze vol

 

met wat we vroeger ook aten. En zo

worden we bijna gelukkig misschien, koesteren

de doden stil in hun graven schoffelen die ieder

seizoen met een ander soort weemoed terwijl

we verzinnen wat ze nu zouden. Laten we

 

weer gaan leven op de krakende vloer

als vanouds wat rag in de hoeken.

 

En dan begint het volgende gedicht zo:

 

‘- Nee, dat gaan we niet doen. We bouwen

een nieuw huis maken een nieuw

kind en dat geven we een nieuwe naam.

 

Een nieuw huis. Aan zee, dat lijkt me niet verkeerd. Vorige week kon ik nauwelijks de onverwachte drang weerstaan om een nieuwe, overbodige maar wel bijzonder gelikte fiets te kopen die alles wat financieel ook maar enigszins redelijk klonk lachend achter zich zou laten. Daarmee zou ik nieuwe, ongekende wegen in slaan. Een fiets is ook een huis, en een reiskoffer, een nieuw leven.

 

Hoe dan ook. Later sliep ik weer onrustig, weer dromen waarvan me beelden bij bleven, maar die krijg ik niet met goed fatsoen in dit stukje.

Ontembare drang en dwang.

 

Hester Knibbe, Inzake dit huis. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen 2020.

Submit to FacebookSubmit to Twitter