door Len Borgdorff, 4 februari 2020

 

Alweer drong het gedicht zich aan me op, nu, terwijl we van Holwerd naar Hoogebeintum liepen. De horizon was in lichte nevelen gehuld, in een waas van vocht. Het regende niet, maar het vocht bleef hangen in de lucht om ons heen.

Zes weken geleden liepen we hier, nou ja, een paar kilometer meer westwaarts, en ook toen was de wereld er een die deed denken aan het begin van de Bijbel, met ‘woestheid en warboel’, ‘met duisternis op het aanschijn van de oervloed’, van vóór het moment waarop God zegt: ‘kome er een scheiding tussen water en water’ en ‘tussen de wateren onder het gewelf en de wateren boven het gewelf.’

 

 

Maar het zijn niet de woorden van Pieter Oussoren in zijn Naardense Bijbel die zich tijdens de wandeling aan me opdringen, maar die van P. A. de Genestet in zijn Boutade.

 

‘Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp’

 

zeg ik hardop. Aat reageert niet. Misschien wil hij meer horen. Dus ik begin:

 

‘O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen…’

 

En daar val ik mezelf tegen, want die ‘kiespijn’ en ‘kramp’ heb ik wel meteen, maar het duurt even voor ik de ‘jicht’ en de ‘paraplu’s’ te pakken heb.

 

Regel 5 levert geen problemen op. Zes en zeven dreig ik om te wisselen en die eenden dienen zich niet spontaan genoeg aan. Vreemd, want ik zie ze in de sloot naast me. Ik realiseer me dat de momenten van hapering dezelfde zijn als voor de klas, want ook daar diende het gedicht zich regelmatig aan.

 

Uiteindelijk heb ik vrijwel het hele gedicht weer te pakken. Met uitzondering van de tweede regel van de derde strofe. Die krijg ik pas weer te pakken als ik De Dichtwerken van P.A. de Genestet er thuis op nasla.


Lees gedicht

Boutade 

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

 

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoôn,

Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

 

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; ’k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij – niet op mijn verzoek –  ontwoekerd aan de zee.

 

P.A. de Genestet


Tweeëntwintig was De Genestet toen hij dit gedicht schreef, of iets jonger. Zijn eerste bundel kwam in ieder geval uit in 1851. Tien jaar later verscheen zijn tweede bundel, dat was drie maanden voor zijn dood, maar na die van zijn vrouw en zoontje.

 

Die biografische gegevens heb ik altijd paraat, als een flard van het gedicht me weer invalt. Zelf had hij daar allemaal geen weet van toen hij zijn Boutade schreef, deze opgeruimde en lichtvoetige Petrus Augustus, met zijn hang naar zware poëzie.

 

Ik leerde het gedicht, maar niet afdoende moest ik aan de Friese kust opnieuw ervaren, rond mijn zestiende uit het hoofd, als een poëtisch guilty pleasure, van iemand die vond dat hij zijn heil moest vinden bij Lucebert, Kouwenaar en Faverey.

 

P.A. de Genestet, Dichtwerken. Gebr. Cohen, Amsterdam zj12.

Submit to FacebookSubmit to Twitter