door Len Borgdorff, 29 januari 2020

 

Ik word deze week wakker tussen twee vrouwen, rechts ligt Mente en links, op het nachtkastje, Charlotte van den Broeck. In tweevoud: in Waagstukken lees ik van haar zoektocht naar architecten die hun ziel en zaligheid opofferden aan hun eigen scheppingen, in de dichtbundel Nachtroer waarin ze afscheid neemt van een liefde die acht jaar duurde.

Gisteravond lag ik daar wat ongemakkelijk. Allereerst wilde ik mijn geliefde niet wakker maken, want zij had de nacht daarvoor al zo slecht geslapen. Dat moest voorkomen worden, maar ik wilde toch nog wel wat lezen in bed.

Bij de poëzie van Charlotte van den Broeck heb ik een ongemakkelijk gevoel. Dat heeft niet met haar literaire vaardigheden te maken, maar met haar thematiek, in dit geval die van een jonge vrouw voor wie de liefde ten einde loopt. Dat ongemakkelijke gevoel speelt me steeds vaker parten nu zoveel jongeren er blijk van geven dat zij in de wereld van de poëzie iets kunnen betekenen. Alsof ik te oud word voor poëzie of me in ieder geval maar beter kan beperken tot de literatuur die afkomstig is van of gaat over mensen van mijn leeftijd.

 

 

Bij Zwarte Schuur vroeg ik me al af in hoeverre jongeren dat boek zullen lezen. Is dit hun wereld wel? Ik ben er daarom gelukkig mee dat in Liter het boek van De Jong werd besproken door Els Meeuse.

Ik weet het, het zou geen rol moeten spelen. Sterker nog: literatuur ontvouwt juist ook andere werelden dan de vertrouwde. Maar klinkt dit niet even braaf als vals? Anderhalf jaar geleden was ik aanwezig bij een optreden van Van den Broeck. Ze is een boeiende dichteres en een begenadigd performer die moeiteloos van praatje naar poëzie schakelt. En toch voelde ik me ook toen vooral buitenstaander, iemand die er niet bij hoorde te zijn. Ik was op een leuk feestje, maar eigenlijk was het niet voor mij bedoeld.

Mente en ik bezochten een kleine vijftig jaar geleden een literaire avond met Adriaan Roland Holst, Victor van Vriesland en Karel Jonckheere. De stokoude heer ARH had naar mijn idee al wat teveel jenever op toen hij een liefdesgedicht voorlas. Daarbij werd gedanst daar jonge dames in reformjurken van rond 1920, euritmie. Ik schaamde me zo voor deze heren en vooral voor deze ARH van wie ik misschien wel tien gedichten uit mijn hoofd kende. Waar was zijn gevoel voor decorum gebleven?

Goed, datzelfde gevoel heb ik nu als ik betrokken word bij de hartstocht van de levensbreuk tussen twee twintigers.

Al met al lag ik gisteravond wat ongemakkelijk in bed, met rechts mijn slapende geliefde en in mijn hand de bundel van Charlotte.

Ingezouten en opgehangen

Hier spreekt een vrouw van in de twintig over een liefdesrelatie die acht jaar duurde. Zij en haar geliefde waren ongeveer even oud als Mente en ik waren toen we onvermijdelijk werden voor elkaar. Jaren later, geen acht maar zeven, vond een herijking plaats die bijna anderhalf jaar duurde.

‘Ingezouten en opgehangen.’ Het beeld spreekt me enorm aan, het is even duidelijk als dodelijk, maar ik herken het niet, dus ook als therapeut kan ik niets betekenen voor de maakster van het gedicht.

Toch, zonder Mente wakker te maken natuurlijk, denk ik de dichteres nadrukkelijk toe dat er na een eerste bloei, een nieuwe bloei kan komen die de eerste overtreft.

Voorbij de gegeneerde trof ik in mezelf de pastorale lezer aan. Dat was het moment om Charlotte even terzijde te leggen, het lampje uit te doen, op mijn rechterzij te gaan liggen en tegen Mente aan te kruipen, voorzichtig maar met volle overgave.

 

Lees gedicht


VII

iets in het vlees, uren na het schot nog, zal pulseren
tot ook dat op is, herinnering aan een hartslag
welk dier hielden we ons voor te willen raken?
we jaagden altijd al op elkaar in onszelf
zijn wij dat werkelijk geworden? ingezouten en opgehangen
rantsoen van onze idealen, luchtfoto van de toenmalige plek
waar we elkaar eindelijk onszelf zouden vergeven, wanneer dan?
zelfs het schrijven is bezig te versterven, mijn handschrift sleept
naar links, sleept me rugwaarts terug de jaren in
in je oksel een bres voor bedenktijd, waar ik de holte vond
waarin mijn hele onvermogen kon, toen heb ik het gedaan
van jou en mij met opzet onderdelen uit een modelbouwpakket gemaakt

Charlotte van den Broeck

 

Charlotte van den Broeck, Nachtroer. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 20173

Submit to FacebookSubmit to Twitter