door Len Borgdorff, 21 januari 2020

 

Ik weet niet goed van wie de woorden dan wel afkomstig zijn, maar naar eigen zeggen heeft Wigman ze niet van zichzelf. In Mala sombra lees ik tenminste dit:

 

‘’Geen mens leed dieper dan drie meter

en dat is weinig,’ schreef een dichter

die het weten kon.’

 

Indachtig de woorden van Rob Schouten van de vorige week vervolg ik mijn weg door de Verzamelde Gedichten van Menno Wigman op zoek naar citaten die het verdienen om zich in ons geheugen te nestelen. Ik verwacht een fikse oogst en kom daarom zelf alleen in de laatste regel van deze In Poësis terug.

 

 

‘Van ijzer zijn en toch je tanden breken’;

‘en zorg dat niemand nog je zon begraaft’ (93)

‘Wat is het lang geleden en wat blijf je mooi.’ (95)

‘[…] en hoe ik ook mijn spijt met inkt belaag:

geen hond die twee keer om een klaaglied vraagt.’ (117)

‘Mijn poëzie. Jawel, toen ik vanmiddag

als een imker tussen mijn gedichten liep,

de honing van mijn woorden woog en trots

de allersterkste raten koos […] (121)

‘een taai skelet met tweeëndertig tanden,

twee handen en een tragisch intellect.’

‘Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.’ (127)

‘En dan die metro’s met dat drukke vlees […]’ (131)

‘Toch krimpt niet alles met de tijd. Let maar

eens op hun oren […]’ (144)

‘En ik die keffend in mijn canto’s woon […]’ (148)

‘Al uren wordt het weerbericht herhaald.’ (152)

‘Het regent twijfels en gedachtestrepen.’ (153)

‘Hij stierf / zoals hij in zijn Opel reed […] (164)

‘We rookten en we dronken, / verwisselden van huid, / vonden de liefde uit […]’ (172)

‘je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe […]’ (181)

‘Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.’ (190)

‘Je sterft alsof een fruitkast geld uitkotst.’(207)

‘Voor jou. Voor jou / houdt Amsterdam zijn gevels overeind […]’ (208)

‘na tachtig kranten vond men hem, plat, zwart, / met op zijn borst de laatste resten van een kat.’(209)

‘[…]  één spits / en hoog en loomwit zingend ogenblik’ (223)

‘O jij! / We passen met z’n tweeën nooit in dit gedicht.’(232)

‘Het is een liefde die. Het is een wonder dat.’ (233)

‘Gretig ben je, slordig met geluk.’ (245)

‘Waarom houdt men steeds korter van elkaar.’ (249)

‘In dit gedicht is niet aan mij gedacht.’

‘Wat als ik zomaar de Messias was / en hier op deze tramlijn liefde bracht?’(250)

‘Wees slim en lees geen boeken uit.’ (256)

‘Blijf scherp. Zo kostbaar kan een kut niet zijn.’ (258)

‘Hoe water ’s nachts naar mensen grijpt.’ (265)

‘[…] en alles wat ik meekreeg van het leven // is dat het lang en lastig is gebleken.’ (267)

‘Twee weken in mijn eigen graf staan staren. / De dood die, toen ik keek, van water leek.’ (268)

‘De zon was mij nooit opgevallen als hij niet / steeds onderging.’ (269)

‘[…] de diepe, zieke spiegels van de grachten […]’

‘En bijrol zijn we, ijdel, lang van stof, / en in een bijzin zullen we verdrinken.’ (276)

‘Drinken is doodgaan en weer opstaan uit de dood.’ (285)

‘En ik pen door tot hier wat licht doorbreekt.’ (288)

‘Ik zwierf zo lang van ik naar ik naar ik […]’ (291)

‘[…]  de kleur van een kwatrijn van J.C. Bloem […]’ (293)

‘Jij ook altijd met je gedeukte DNA […]’ (301)

‘Waar stond die ladder naar een hoger leven?’ (308)

‘Je bleef de bodem uit je leven slaan […]’ (311)

 

Met dank.

 

Menno Wigman, Verzamelde gedichten. Samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten. Amsterdam 2019

 

- Precies honderd In Poësissen geleden stond een gedicht van Menno Wigman centraal. https://www.leesliter.nl/blog-en-nieuws/973-in-poesis-93-wigman-zon-schuift.

Submit to FacebookSubmit to Twitter