door Len Borgdorff, 15 januari 2020

 

Ik leg mij toe op het lezen van levende dichters, maar ook aan Wigman kan ik niet voorbij. Als kerstcadeau kreeg ik zijn Verzamelde Gedichten.

Rob Schouten sluit de inleiding van deze bundel af met: ‘Gefundenes Fressen voor de soms in veel geouwehoer en druktemakerij verdwaalde poëzieliefhebber die wel weer eens een dichtregel wil lezen die hij kan onthouden en citeren.’ Het overgrote deel van deze zin laat ik nu maar even voor rekening van de heer Schouten; het slot houdt me bezig. In zekere zin ontleent deze wekelijkse column – In Poësis - zijn bestaansrecht aan het citaat dat uit het verband van zijn gedicht gerukt wordt om ongevraagd doelen te dienen waarmee de vrouw of man uit wier dan wel wiens pen de woorden ooit vloeiden, in de verste verten niet geassocieerd wil worden. Ik lees de vorige zin nog even door om te zien of die wel klopt…

 

 

De zin klopt. Ik durf nog verder te gaan. Als in een stukje In Poësis het hele gedicht onderwerp wordt, of misschien zelfs wel het hele oeuvre van de maker, dan strookt dat niet met wat me een paar jaar geleden voor ogen stond. Daar heb je besprekers en andere recensenten voor. Nu ben ik in veel opzichten niet strak in de leer, dus ik kan er goed mee leven als ik me niet aan mijn uitgangspunten houd.

 

Heeft Schouten gelijk? Ik ken geen citaat van Wigman waarmee ik af en toe voor de dag kom. Maar als ik zijn opmerking als een uitnodiging moet lezen om eens te kijken of er ook citaatwaardige opmerkingen te vinden zijn in zijn poëzie kom ik inderdaad al gauw een heel eind. Vanwege de mij eigen gemakzucht beperk ik me tot tien en ik begin vooraan.

Ondergrondse opent met ‘De metro ramt de voorkant van de dag.’ Schrijf die maar op. En drie regels verder al lees ik van een man ‘Herfst in zijn broek.’ Die komt op mijn todolijstje voor een mogelijke In Poësis. Twintig bladzijden verder: ‘Ergens dreef een bleke slager / in zijn bloed de winkel uit.’ Het begin van Koopavond begint zo: 'Op het stadhuis weet men precies / wat liefde is.’ Het gedicht Laatste lente is ‘vrij naar Rilke’ en daarom laat ik dat zitten, maar de naam van de Duitse dichter en een citaat van hem komt weer op mijn todo. Ik merk het al: er komen weer veel dode dichters aan dit jaar. En dat terwijl ik zo graag Rijneveld en Van den Broecke door wil nemen.

Ik zit nog maar op vier. Vijf wordt ‘Wat een geluk dat Holland niet bestaat,’ in een gedicht dat nogal ruikt naar Boutade van P A de Genestet. Zonder verder commentaar: ‘en waste me in dertig meisjes schoon.’

Dan: ‘in het dode oker van zijn dertigste oktober / en de onbewogen mosterdzon’, waarin de honderd klokken door klinken die Londen doen bonzen en de twaalf kathedralen van Genua (Werumeus Buning).

 

Zonder het gedicht waarvan ze het hart vormen, zijn deze woorden misschien wat duister, maar het zou zomaar kunnen dat ze in een andere context ook indrukwekkend zijn, misschien nog wel meer dan ze zijn in het gedicht Binnenbrand. Ik heb het hierover: ‘die heten niet, die leven niet, die zijn // zo weggelegd.’

En dat terwijl ik grof bladerend nog niet op een derde van de bundel ben en zonder compleet gedicht te citeren al boven de 600 woorden zit.

Ik ben bij acht. Ik heb er nog vier waaruit ik niet zo gauw kan kiezen. Probleem.  Ik houd het bij acht en volgende week doe ik weer Wigman. Maar dan wel anders.

Schouten had gelijk.

Nog even een bemoedigend gedicht om mee te eindigen:

 

Misverstand

 

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed
waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand
of drie geloof ik meer en meer dat poëzie
geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte
die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

 

 

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt
en 's nachts - een heelkunst is het niet.
De kamer blijft een kamer, het bed een bed.
Mijn leven is door poëzie verpest en ook
al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

 

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig
lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

 

Menno Wigman, Verzamelde gedichten. Samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten. Amsterdam 2019

 

- Precies honderd In Poësissen geleden stond een gedicht van Menno Wigman centraal: https://www.leesliter.nl/blog-en-nieuws/973-in-poesis-93-wigman-zon-schuift

Submit to FacebookSubmit to Twitter