door Len Borgdorff, 7 januari 2020

 

Ik heb een jaar om het goed te maken en het zou me verbazen wanneer De Bezige Bij me er niet bij zou helpen om alsnog alle poëzie van Deelder in bezit te krijgen. Bij de In Poësis van vorige week gebruikte ik een foto met daarop, ter nagedachtenis, diens bundel Vrijwel alle gedichten, uit 2004, en een kaarsje. Een memoriealtaar. Zowel het altaar, de attributen als de foto ervan kwamen van Menno van der Beek die ik nogmaals graag bedank en ook nogmaals al het goede toewens voor 2020. Bij deze Rotterdammer komen mijn wensen gelukkig nog wel terecht.

 

 

Wat ik nog goed te maken heb? Meer poëzie van Deelder op de plank. Mijn stukje van vorige week was vals. Dat wil zeggen: ik had het gedicht 'Honoloeloe' niet eens zelf in een bundel van Deelder staan.

Dag En Nacht Geopend heb ik wel, aangeschaft in januari 1971. Ik had vóór die tijd, het zal dus 1970 geweest zijn, of 1969, Deelder een keer op tv gezien. Hij had, geloof ik, een liedtekst ingestuurd voor een wedstrijd van Avro of Tros, dat weet ik niet meer, maar in ieder geval voor een verkeerde omroep. Die wedstrijd had hij gewonnen. Voor mij was hij een volstrekte vreemdeling en voor de interviewer ook, denk ik. Voor de uitvoering van het winnende lied vroeg die hem of hij ooit had kunnen denken dat hij de prijs zou winnen. Deelder was een jonge man met lang haar en een rond brilletje, iemand van wie ik dacht dat hij tot de OSM zou behoren, Ons Soort Mensen.

Ja, hij had wel verwacht dat hij die prijs zou winnen. Zoveel vanzelfsprekende zelfingenomenheid kon ik op dat moment niet verwerken. Hij viel in ongenade: een liedtekst, de Avro of de Tros en dan ook nog die zelfingenomenheid. Deelder verhuisde van de O naar ASM, de Andere Soort.

Blijkbaar heeft me dat er niet van weerhouden om dit bundeltje te kopen toen ik het tegenkwam. Ik kan me zo goed als niets van die aankoop herinneren, behalve dan dat ik het tegelijk kocht met een bundeltje van Campert. Ze zaten in dezelfde serie. Ik ben beide bundeltjes tegengekomen, was er niet naar op zoek, ze vielen me toe.

Met beiden, maar vooral met Deelder, had ik wat moeite in die tijd. Op school had ik een paar jaar daarvoor Lucebert nog verdedigd tegenover een leraar Nederlands. En nu waren daar de taalmagie van Achterberg en de muzikaliteit van Andreus.

 

Bij Deelder las ik:

 

Aangenaam

 

De onbekende

kan reeds morgen

een bekende zijn.

 

Wat was dat voor theatrale ongein? En dan dat verschrikkelijk ordinaire Blues on Tuesday:

 

Blues on Tuesday

Geen geld.
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weet.

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

Goedkoop effectbejag! En ik zal me ongetwijfeld ook toen geërgerd hebben aan de punt waarmee elke korte regel wordt vastgespijkerd.

Maar er viel ook te lachen: 

 

Vergezicht

 

Uitkijkend over de daken,

raakt een mensch

soms van ruimte bevangen,

en neemt dan

verschijnselen waar.

 

Zie daar?

Nee dáár!!

 

Daar rijdt langs de wolken

een boer op z’n fiets.

Of zijn het er vier?

 

Ik maakte kennis met Deelder op het verkeerde moment, bedacht ik later. Bladerend door het enige bundeltje van hem dat ik heb en dat welgeteld 49 jaar bij me in de kast staat, valt me op dat ik een behoorlijk eind ben weggedreven van de jongen die ik toen was, van dat denken in kampen én van mijn literaire voorkeuren.

Omdat die dood is, moet de heer Deelder niet meteen denken dat hij nu wel in mijn literaire top tien terechtkomt, maar ik ben van plan om nog behoorlijk van hem te genieten. Ik wacht op de verzamelbundel.

 

Jules Deelder, Dag En Nacht Geopend. De Bezige Bij, Amsterdam 1970.

Submit to FacebookSubmit to Twitter