door Len Borgdorff, 30 december 2019


Het gedicht stond in het literatuurboek dat we gebruikten voor Havo 4. De leerlingen vonden het maar niks. Dat was, vertelde ik, omdat ze ernstig te kort schoten én omdat ze zich te snobistisch opstelden. Gedichten moesten natuurlijk moeilijk zijn en met indrukwekkende versvormen in elkaar zitten. Jean Pierre Rawie was mooi en bij de zee die ‘op haar breedste alexandrijnen van schuim’ komt aanrollen van Herman de Coninck zag je onmiddellijk dat die man ervoor had doorgeleerd om een gedicht in elkaar te zetten.

Nu ging het om een gedicht van Deelder:

 

Reisgedicht

Als ik mijn ogen toedoe

ben ik in Honoloeloe

 

Ze konden de schoonheid van eenvoud niet waarderen, ongevoelige pubers die ze waren. Waarom waren die kinderen toch zo doof en blind voor de schoonheid van het gedicht, vroeg ik me hardop af alsof ze er niet bij waren.

‘Het is geen gedicht, het een spreuk, een reclamekreet!’ Ik vertelde dat zoiets in de poëzie een distichon heet en dat poëzie een ander woord is voor gedichten en dat dit dus een gedicht was.

 

 

Wel dacht iedereen dat Honoloeloe een prettige plek was om te vertoeven, al was niemand er ooit geweest. Warmte, mooie meiden, muziek, bloemen. Dat waren de zaken die spontaan opborrelden. Niemand dacht aan hoogbouw of woonerven of plaatselijke gladheid. Maar dan nog: Deelder was gewoon te makkelijk. Leuk misschien, ze kenden hem meestal wel, maar geen dichter.

Dus ging het over maat en ritme en over de oe-klanken en vooral over de droom, over het verlangen, waar gedichten immers heel vaak over gaan.

 

Maar het lukte niet en daarom stapten we over naar een volgende opdracht en ik schreef op een envelop:

‘Waar in de wereld ik ook zoek

ik vind mezelf in Maarssenbroek.’

 

‘Wacht even! Is dit dan een gedicht? Wat roept het op?’ Ik las mijn regels voor.

Dan waren die van Deelder beter, vonden ze. En origineler. Ik deed hem alleen maar na.

‘Als je straks wegdroomt, wil je dan Maarssenbroek voor je zien?’ Voor de goede orde: ik gaf les op een school in Maarssenbroek.

‘En waar is de melodie van Deelder gebleven? In mijn probeersel zit geen muziek.’ Maar bij dat van Deelder weet je straks niet eens meer weer wat toedoe betekent. Dat lijkt dat meer op een klank die je wilt zingen of neuriën. Toedoe, toedoe, tempo doeloe,’ zong ik half.

Een deel van de leerlingen protesteerde omdat ik een te gemakkelijk voorbeeld had genomen met dat Maarssenbroek. Als Vleutenaren lieten ze zich doorgaans minachtend uit over deze nederzetting uit de jaren zeventig. Ik maakte het mezelf te makkelijk, vonden ze.

Ik zette ze weer aan het werk om even later te roepen:

‘Wacht even!

Het vinexvolk, o grauwe meute,

zakt weg in het moeras van Vleuten.’

 

Twee kwamen er uit De Meern. Deze was makkelijker dan Vleuten, dus ze hoefden niet verder te gaan met de volgende opdracht.

‘Alleen door ijverig te leren

kan ik ontsnappen uit De Meern.’

 

Deelder won het van mijn gedichten, waaruit maar weer bleek dat het zijne niet bepaald het minste gedicht was én intussen hadden zijn twee regels ons al met al een halve les beziggehouden en mij geïnspireerd tot drie nieuwe gedichten.

 

Ik eindigde met ‘Voor Ari’


Lees gedicht

 

Voor Ari

 

Lieve Ari
Wees niet bang

De wereld is rond
en dat istie al lang

De mensen zijn goed
De mensen zijn slecht

Maar ze gaan allen
dezelfde weg

Hoe langer je leeft
hoe korter het duurt

Je komt uit het water
en gaat door het vuur

Daarom lieve Ari
Wees niet bang

De wereld draait rond
en dat doettie nog lang

Dat vonden ze mooi, zonder meer. We hebben het niet besproken.

 


Jules Deelder, Vrijwel alle gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 2004


Foto: Menno van der Beek

Submit to FacebookSubmit to Twitter