door Len Borgdorff, 23 december 2019

 

Kerst komt jaarlijks terug en iedere keer mogen we blij zijn met het nieuw geboren kind. Als kraambezoekers voegen we ons daarbij dan wel in het vertrouwde gezelschap van herders en wijzen, maar van de mensen met wie ik dat feest vanzelfsprekend vierde, zijn er velen niet meer. Oma was een vaste gast in ons huis. Mijn moeder bracht vele jaren de kerstdagen bij ons door. Met Wout schreef ik tientallen Kerstliederen. Dit jaar is hij er niet. Er is veel gemis.

 

 

De laatste weken bezoeken ze mij vaak ’s nachts, de mensen met wie ik Kerst ooit vierde en nu niet meer. Ze klimmen over het muurtje tussen leven en dood dat in de slaap veel lager is dan bij dag. Je kunt er gewoon overheen kijken of dwars doorheen lopen. Banjeren.

 

Ik kan niet goed uit de voeten met de als troost bedoelde, maar ook wel wat leugenachtige, woorden dat de doden in onze herinnering voortleven, al koester ik mijn herinneringen wel. Misschien maakt juist die koestering de herinnering zo leugenachtig, omdat ik de doden zich laat voegen naar wat ik nog van ze weet, wil weten en hoe ik over ze denk, nu ik ze kan opzadelen met woorden, gevoelens en bewegingen die ik ze toedicht.

 

´s Nachts, terwijl ik wat moeizaam lig te ademen en me amper bewegen kan, zie ik ze over het muurtje. Ze trekken met elkaar op, zoals ik dat overdag achter de hoge maar onzichtbare muur doe, met de mensen van deze kant.

 

viel je daaruit tevoorschijn schuimde bokte

steigerde glansde in afzondering

 

Heel veel aandacht voor mij hebben ze niet. Velen ken ik ook niet. Er zijn er genoeg die mij herkennen. Ze werpen me een blik toe en dat is het dan. Ik ben niet interessant in hun dood, misschien was ik dat in hun leven ook al niet. Ik weet het niet. Soms ook komt er eentje of komen er een paar naar me toe. Ze kijken me indringend aan en gaan dan weer weg. Er wordt niet gewenkt. Er worden geen vuisten gebald.

 

En soms draait er een om me heen, telkens weer dwars door dat muurtje heen en een enkele keer door mezelf. Als het mijn moeder is, dan nog spreekt ze me niet aan, ze kent het woord ´jij´ misschien niet eens.

Het lijkt er op alsof ik in de herinnering van de doden voortleef, zoals zij dat in de mijne doen. Het is niet aangenaam wat ik te zien krijg, maar onaangenaam zou teveel gezegd zijn. Het is bevreemdend, niet ontluisterend, wel luisterloos, koel en niet kil. Het is een ontmoeting, maar dan anders geschreven, met andere tekens dan de letters die me op school zijn aangeleerd. Er is een ander zien, een andere taal, een andere grammatica. Toch lijkt het of we in eenzelfde ruimte, tijd, sfeer, of wat dan ook, bestaan maar er is geen woord, geen begrip, geen gebaar, geen middel om dat te vangen.

 

Lees gedicht

Glans

 

3

 

Je zijn iets anders hoefde niet door elke

opening tussen vingers zag ik je

 

zo gaan bewegen dat niet ik alleen

maar alles danste alles in elkaar

 

viel je daaruit tevoorschijn schuimde bokte

steigerde glansde in afzondering

 

Eva Gerlach


Eva Gerlach, Oog. Gedichten. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2019.

Submit to FacebookSubmit to Twitter