door Marja Verhoeve en Els Meeuse, 17 december 2019

 

Europa is op sterven na dood. Vreemd genoeg lijkt het erop dat wij, Europeanen, dat helemaal niet erg vinden. We staren ons blind op onze geschiedenis. De toekomst vergeten we voor het gemak even. Toeristen overspoelen ons werelddeel om te zien hoe het er vroeger aan toeging. Er worden meer foto’s in kerken gemaakt dan gebeden uitgesproken. Europa verandert in één groot museum. China heeft de toekomst. Wij zijn de tuin van de wereld aan het worden. En we helpen de toeristen graag een handje mee. Ze brengen namelijk direct geld in het laatje. Maar is het wel zo’n goed idee al die toeristen met open armen te ontvangen? Misschien moeten we eens over de toekomst gaan denken, voordat het te laat is. Ilja Leonard Pfeijffer helpt je een eind op weg.

 

 

‘Elke keer dat je aankomt in Venetië, is de eerste keer.’ Het had de opening van het boek kunnen zijn en dat scheelt maar één hoofdstuk. Onweerstaanbaar neemt Pfeijffer je in Grand Hotel Europa mee de stad en het verhaal in. ‘Venetië glimlachte naar mij als een geliefde die op mij had gewacht. Al die eeuwen dat ze geduldig uit het raam had gestaard, hadden haar kalm en mooi gemaakt.’ Meer heb je niet nodig om het latente heimwee naar Italië los te maken. En bij aankomst wacht zijn grote liefde Clio hem op. Ziedaar: alle ingrediënten voor een sprookje.

Maar dat is het niet. Het boek begint met een opening-na-de-handeling: de hoofdpersoon neemt zijn intrek in Grand Hotel Europa om te overdenken waar het tussen hem en Clio is misgegaan. Zo creëert de auteur vanaf het begin twee verhaallijnen: de reconstructie van een liefdesgeschiedenis en de wederwaardigheden in het vervallen hotel. Het terugtrekken van het alledaagse, het bezinnen op grote levensthema’s en de schijnbare tijdloosheid in het hotel doen direct denken aan De Toverberg van Thomas Mann. Hoofdpersoon Hans Castorp bezoekt in dat boek zijn neef, die in een sanatorium in Zwitserland verblijft. Het geplande bezoek loopt uit. Hij zal er zeven jaar blijven. In die tijd ontmoet hij diverse mensen, representanten van grote denkbeelden. Het is evident dat Pfeijffer met zijn roman een grote knipoog geeft naar dit literaire meesterwerk.

 

Het overkoepelende thema van de roman is de opkomst van het massatoerisme in Europa. Op een trefzekere manier typeert Pfeijffer toeristen, humoristisch met een serieuze ondertoon. ‘Een van de frequentst voorkomende standaardtypen was het zogenaamde horrorgezinnetje met twee of drie kinderen (…), goudblond huppelend dissoneren ze met alles wat Italië ooit is geweest of zal worden.’ Je ziet ze voor je, of je herkent je eigen gezin misschien, in Italiaanse contreien. De auteur analyseert, of eigenlijk fileert het toerisme tot op het bot. ‘Toerisme vernietigt datgene waardoor het wordt aangetrokken (…) De wanhopige zoektocht naar authenticiteit is in wezen de drijfveer achter bijna alle vormen van toerisme (…) Zelfs in het door toeristen afgetrapte Italië zie ik dat toeristen bij voortduring op zoek zijn naar typische Italiaanse dingetjes.’

Hoewel het boek veel van dergelijke uitgewerkte beschouwingen bevat, weet Pfeijffer de aandacht van de lezer wel vast te houden door de afwisseling met het persoonlijke verhaal van de hoofdpersoon, die dezelfde naam draagt als de auteur en een boek schrijft over – jawel – toerisme in Europa. In de reconstructie van hun liefdesverhaal beschrijft Pfeijffer hoe Ilja en Clio op zoek gaan naar een verdwenen schilderij van Caravaggio. Hun liefde heeft een onstuimig begin, inclusief bijna pornografisch beschreven erotische passages, en de dialogen tussen die twee zijn nooit saai. Clio heeft een zuidelijk temperament, ze reageert vaak in uitersten en is met regelmaat jaloers. Ilja daarentegen is zelfverzekerd met een aura van onverschilligheid. Vooral de passages in het hotel laten ook een andere, meer kwetsbare kant van hem zien.

Dit hotel, Grand Hotel Europa, staat symbool voor het verval van Europa en dieper: van de Europese identiteit. Pfeijffer noemt de Europese identiteit: exploitatie van het verleden.

 

Europa is een park geworden. Het ooit zo gevreesde Zwarte Woud is een bewegwijzerd wandelgebied. Wie de Mont Blanc wil beklimmen, moet een kaartje kopen. Voor bezoekers die verkoeling zoeken, hebben we de fotogenieke, belachelijk blauwe Middellandse Binnenzee, die is gevrijwaard van haaien, golven en alle andere gevaren die een echte zee kenmerken. Dit alles baadt in een aangenaam klimaat, ontdaan van extremen. En dit park is bezaaid met bezienswaardigheden. Je kunt je er vergapen aan monumenten uit het verleden dat tot de verbeelding spreekt, en je raakt niet uitgekeken op de kathedralen die de ratio voor de religie heeft gebouwd. Dit alles is voorbeeldig gerestaureerd en onderhouden omdat elke Europeaan beseft dat we ten onder gaan en dat het verleden alles is wat we hebben. Europa is een openluchtmuseum geworden, een fantastisch historisch themapark voor toeristen.

 

Europa is veranderd in een park met bezienswaardigheden. Deze ‘tuin’ bevat onder andere kathedralen die de ratio voor de religie gebouwd heeft. Pfeijffer expliciteert dit niet verder, maar het zegt genoeg. Ons verstand heeft tradities in het leven geroepen en deze in stand gehouden. Maar voor wie heeft de religie waar men in onze cultuur prat op gaat werkelijk nog betekenis? Het bruisende christendom van ooit is steeds meer een cultuurchristendom geworden. De inhoud is verdwenen, de vorm is blijven staan. We zijn ons verleden en daar beroemen we ons op, zolang dat verleden bestaat uit mooie verhalen en indrukwekkende kunst. Mensen die nog geloven dat Jezus uit de dood is opgestaan? Neem gerust een zaklamp mee. Maar het verleden is alles wat we hebben. Dus vertelt Europa het verhaal door.

 

In Grand Hotel Europa ontmoet Ilja een piccolo, de jongen die afgebeeld is op de cover. De geschiedenis van deze vluchteling weeft hij als derde verhaallijn door de roman. Het doet een beetje denken aan het verhaal van Saidjah en Adinda in Max Havelaar, in zijn zoektocht te overleven, te ontvluchten aan de moeilijke omstandigheden in zijn thuisland. Op een verrassende manier weet de auteur dit verhaal echter ook te verbinden aan het klassieke verhaal van Aeneas. Intertekstualiteit in optima forma.

Picollo Abdul heeft het verhaal van Aeneas meerdere malen gelezen. Het raakt hem, omdat hij veel herkent. Zijn eigen vluchtverhaal is dan ook doorspekt met verwijzingen naar dit klassieke werk van Vergilius. Het zet aan het denken. De Romeinse beschaving beroemde zich erop af te stammen van een vluchteling. In onze cultuur overheerst angst voor de ander. Vluchtelingen moeten zoveel mogelijk geweerd worden. Stel dat ze onze cultuur aantasten. Grand Hotel Europa wijst een andere kant uit. Een versmelting van culturen is vruchtbaar. Toeristen brengen onze cultuur tot stilstand. Het gastvrij onthalen van vreemdelingen kan Europa een nieuwe toekomst geven.

 

Al met al is deze roman een meesterlijke compilatie van persoonlijke en Europese dramatiek. Door de ironische schrijfstijl wordt het verhaal echter nergens te zwaar, al is het ook zeker geen lichte kost. En de opbouw van het verhaal is helpend om de aandacht vast te houden. Je wilt als lezer toch hoe dan ook weten waar en hoe die liefdesrelatie tussen Ilja en Clio stukloopt. Grand Hotel Europa: een klassieke tragedie in een modern Europees jasje.

 

Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa. Amsterdam 2018, 547 blz. €26,99

Submit to FacebookSubmit to Twitter