door Len Borgdorff, 12 november 2019


Een beetje reisbeschrijving zou zomaar een gedicht kunnen zijn, een die samen lijkt te vallen met de reis, of nog liever: een die de reis overbodig maakt. Dat is heel wat graden meer dan de opmerking dat je de film niet hoeft te zien omdat je het boek al hebt gelezen. Bij een goed reisgedicht wordt de hele reis overbodig. Het doet me een beetje denken aan de titel van een verhalenbundel van Biesheuvel: ‘Reis door mijn kamer’, al ging het hier meer om reizen in de geest, wat mede mogelijk werd gemaakt door een in die kamer aanwezige boekenkast. Die boeken horen er altijd bij.

 

 

De heer Achterberg maakte van zijn poëzie een magische aangelegenheid. Hij deed er alles aan om de door hem gewenste werkelijkheid te laten samenvallen mét en dus realiteit te laten worden ín een gedicht.  En in 1928 schilderde Magritte ‘La tentative de l’impossible’, waarop een schilder een naakte vrouw schildert; nog één arm en dan is ze af. Het bijzondere is dat hij haar niet op het doek schildert, maar in de open ruimte. Hij doet wat in de Sixtijnse kapel Michelangelo God laat doen door Adam te scheppen. Alleen de titel van Magrittes schilderij is al veelzeggend genoeg: een poging om het onmogelijke mogelijk te maken. De werkelijkheid is niet dat een kunstenaar al schilderend een vrouw kan scheppen, de werkelijkheid is dat de kunstenaar op canvas een model schildert en zichzelf, zoals in de Sixtijnse kapel God niet Adam tot leven wekt, maar Michelangelo een fresco schildert waarop hij de suggestie wekt dat dat gebeurt. Michelangelo problematiseerde dat allemaal niet. Daarvoor moet je naar de twintigste eeuw, waar kunstenaars dat weliswaar nog steeds probeerden, droom en werkelijkheid te laten samen vallen, maar doorgaans met het besef dat dat helemaal niet kan, sterker nog: dat laatste is dan vaak juist het thema.

 

Veel poëzie dobbert vanaf de jaren zeventig, tachtig wat weg van dit besef van onvermogen. Kouwenaar en Faverey waren er in Nederland belangrijke exponenten van.

 

Toch zijn er dus taaluitingen die dicht tegen taal en werkelijkheid aanschuren of -schurken zonder die te problematiseren. Reisbeschrijvingen, en misschien geldt het nog meer voor kookrecepten. Dat is taal waarbij een goede lezer visioenen voorgeschoteld krijgt waarvan hij of zij weet dat het een kwestie van tijd en wat initiatief is om het gedicht dampend op tafel te krijgen.

 

Kevin Ireland maakt het zichzelf daarbij wel erg makkelijk.

 

Lees gedicht

 

Lamb stew with bonus

 

Gently fry tomatoes and green peppers. Toss them in a casserole.

Use olive oil, not butter. Flavour them with home-cured bacon,

and throw in plenty of shallots – they’re better halved or whole.

 

Don’t forget turmeric, herbs, black pepper, and, of course, some salt.

Add a dollop of tomato puree mixed with a lavish slug of wine

and a touch of cornflour in some stock. It’s entirely your own own fault

 

if you ruin it with mushrooms. Now simply flop the butterflied leg

of lamb onto the bed you have so lovingly prepared, then top

the lot with stalks of rosemary and thyme and grate some nutmeg

 

on it all – just enough to add exotic hints of mystery to the stew.

Then shove the dish into a gentle oven and forget about it till it falls

apart. Meanwhile, drink whatever wine’s left over. I always do.

 

Kevin Ireland

Ik vind het een leuk en makkelijk gedicht. Erg laid back om een uitdrukking te gebruiken die Nieuw-Zeelanders nogal eens voor zichzelf bezigen. Kevin Ireland is een echte Nieuw-Zeelander.

 

In de jaren zeventig las ik op het toilet in een Berlijns café:

‘To be is to do – Hemingway

to do is to be – Sartre

do be do be do – Sinatra.’

 

Ireland doet me een beetje aan Sinatra denken.

 

Kevin Ireland, Lamb stew with bonus. In: The Friday Poem, ed & intro Steve Braunias. Luncheon Sausage Books 20196.

Submit to FacebookSubmit to Twitter