door Len Borgdorff, 17 september 2019

 

Vanochtend werd ik wakker van een hand die op mijn hoofd werd gelegd. Geen haan, geen krijsende wekker, geen lamp die me onbarmhartig in een andere wereld smeet. Een hand.

Het was geen hand. Het was een kussen dat omviel. Een kussen is geen harde hand, niet hard, maar ook geen hand en er was geen reden om me wakker te laten worden.

 

 

Er zit nogal wat Jeroen Bosch in de Nederlandse poëzie van nu, onverwachte beelden en combinaties van beelden die tot één geheel worden, met het wit als lijst. De afgelopen dagen bracht ik in poësis door met Marieke Lucas Rijneveld, die volop meedoet aan de Boschiaanse poëzie. En op eigen wijze. Punt is alleen dat ik bij haar gedichten een andere lezer ben dan ik van mezelf gewend ben. Ik word heel oud van haar poëzie, en krijg grootvaderlijke trekken. Er loopt altijd een ontwapenend mensje door mijn hoofd als ik de verontrustende poëzie van Rijneveld lees.

 

In mijn jaszak houd ik mijn

eerste plantje verborgen omdat ik gelezen had dat ze goed groeien

 

op zowel klassiek als jazz en pop […]

 

Die ‘ik’ kan ik niet zijn en soms heb ik de neiging om te reageren op dichtregels. ‘Ik zou dat niet doen, dat plantje in je jaszak.’ Daar worden plantjes met al je goede bedoelingen niet beter van. Ook als beeld van wat je dierbaar is in jezelf.

Jeroen Bosch? Er is ook veel Alice in Wonderland te vinden bij Rijneveld. En misschien ben ik wel een van de personages uit dat verhaal. Zoals ik ook de luizenmoeder zou kunnen zijn of de vader die een dochter dopt als boontjes of een abonnee van het Reformatorisch Dagblad. Dat ben ik dan natuurlijk niet, vind ik van mezelf, maar daar kan een Alice heel anders over denken. Dus zeg ik toch maar niets. Geen bedenkingen, geen aarzelingen, geen adviezen of correcties en ik beaam niets.

Dus zit ik niet instemmend en herkennend te knikken als ik lees

 

‘[…]  in mij zit een

balletdanser verstopt en het zwanenmeer zo vaak opgevoerd

 

dat ik met mijn ogen dicht de choreografie weet […]

 

Ook als er meteen op volgt:

 

‘[…] de bewegings-

structuur van jongenslichamen is zo jaloers makend mooi dat er […]’

 

Waaruit blijkt dat al dat identificeren juist een drang is en een blijk van onvermogen. Dat herken ik dan, maar ook dat moet ik vooral niet zeggen.

Oudere mannen kunnen wel eens jolig en extra jeugdig doen tegenover jongeren. Dat vind ik een tikkeltje gênant. Bij Rijneveld zou ik me het prettigst voelen in een rolstoel. En dan wel die gedichten van haar lezen. Zonder commentaar. We doen er helemaal niets mee. Laten dat in ieder geval niet merken. Nou ja, wat mompelen misschien, zodat de mensen zeggen: Wat heeft die man er nou nog aan om dat te lezen?

En dan onverstaanbaar mompelend doorgaan omdat ik dat natuurlijk niet heb gehoord of begrepen. Dat ze zeggen: Hij weet niet eens meer of je nou een hand op zijn hoofd legt of een kussen.

 

Lees gedicht

 

Het hemd van mijn lijf gedacht

 

Via de huilmondjes keren de klanken naar binnen, groeien

koppen en harten richting het podium, dit is alles wat we nodig

 

hebben, waar we naar verlangen, en ik denk aan hoe vaak ik die

avond niet het hemd van mijn lijf heb gedacht, sidderend een

 

beetje, terwijl ik de jongens belichaamde die ik als voetbalplaatjes

spaarde, ze zijn te jong om lief te hebben en te oud om mee te

 

spelen, tussen van auto’s houden en van meisjes zit een periode

die ik graag zou willen opvullen, van ruilen komt huilen zei oma altijd

 

en nu geef ik niets meer uit handen. In mijn jaszak houd ik mijn

eerste plantje verborgen omdat ik gelezen had dat ze goed groeien

 

op zowel klassiek als jazz en pop en de bladeren de vorm hebben

van langspeelplaten, muziek als fotosynthese. En het publiek grillig

 

als een notenbalk is de partituur van de muzikant, in mij zit een

balletdanser verstopt en het zwanenmeer zo vaak opgevoerd

 

dat ik met mijn ogen dicht de choreografie weet, de bewegings-

structuur van jongenslichamen zo jaloers makend mooi dat er

 

kippenvel en een tollend hoofd op volgen. We laten koptelefoons van

de oren naar de hals zakken, drinken onze lichamen oneindig  en in

 

dansvorm, willen niet langer meer weten waar we vandaan komen.

 

Marieke Lucas Rijneveld

 

Marieke Lucas Rijneveld, Fantoommerrie. Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 2019

Submit to FacebookSubmit to Twitter