door Len Borgdorff, 20 augustus 2019

 

Ik lees Ongerijmd Uur van Fernando Pessoa. Op de linkerpagina’s van de bundel in mijn hand staat de Portugese tekst van het gedicht, dat dan Hora Absurda heet, en rechts lees ik de Nederlandse vertaling van Harrie Lemmens. Mijn kennis van het Portugees grenst aan die van het Chinees, maar dankzij mijn beheersing van de Nederlandse taal kan ik iets van de Portugese betekenis reconstrueren en ik durf het zelfs aan om, zo lang er maar niemand luistert, de Portugese tekst hardop te lezen, omdat klank en melodie nu eenmaal een wezenlijk onderdeel zijn van taal in het algemeen en van poëzie in het bijzonder.

 

 

Ik begrijp weinig van het gedicht, van het origineel niets en van de vertaling bijzonder weinig. Maar gaandeweg kom ik in iemands hoofd terecht, in het rusteloze hoofd van de dichter voor wie de buitenwereld, zo lijkt het wel, alleen maar ammunitie is voor wat in de bovenkamer van de dichter ontbrandt. Daar lijkt het gedicht ook over te gaan. Maar voor het zover is, springen er al regels in mijn gezicht, die ik graag stuk voor stuk een dag lang door mijn kop zou willen laten malen. Ik stel me zo voor dat ik dergelijke dagen maar het best op de fiets kan doorbrengen.

De mooiste staat tamelijk aan het begin van het lange gedicht van honderd versregels.

 

je bent mijn schilderij waarop elke kleur fout afsteekt…

 

Natuurlijk begrijp ik hier niets van, maar wat zou ik hem graag verzonnen hebben. Nog eentje, regel 36: ‘Dit landschap is een manuscript waaruit de mooiste zin werd geschrapt…’

Bij Pessoa zou het een stroom van associaties geweest kunnen zijn, voortgestuwd door de roep van het ene beeld om het andere, en door woorden die door hun klank andere woorden uitlokken. En dat kan snel gaan, ook als je als dichter wilt dat de boel rijmt. Het kan zomaar zijn dat Pessoa het schreef in één nacht, terwijl hij de volgende ochtend weer paraat moest staan als hulpboekhouder. Hij zal er later nog wat aan hebben zitten schaven misschien, tussen juli 1913 en april 1916, maar het grote corpus moet in één keer ontstaan zijn, op 4 juli 1913, in dat Hora Absurda.

Tot zover de linkerpagina van de bundel. Terug naar de rechter.

 

Daar besluit iemand om in de vertaling van de titel niet het woord absurd te gebruiken. Ik vraag me even af waarom niet en denk vervolgens dat Lemmens daar om meer dan één reden goed aan heeft gedaan. Allereerst is absurd meer romaans dan germaans. Ten tweede heeft absurd in het Nederlands net iets meer de betekenis van potsierlijk gek, of van ongehoord; en het heeft een connotatie van kunstzinnigheid die het woord in 1913 in het Portugees niet gehad kon hebben, nu misschien wel. Dat weet ik niet. Een aangename bijkomstigheid intussen is dat de Nederlandse titel bijdraagt aan de kleine kosmos van paradoxen die dit gedicht vormt: het Ongerijmde Uur rijmt wel, geen gekruist rijm zoals in het Portugees, gelukkig geen gepaard rijm, dat zou stremmend gewerkt hebben, maar omarmend.

 

Zou Pessoa dit gedicht uit zijn hoofd gekend hebben? Ik vermoed van niet. Hij had een kist vol ongepubliceerde gedichten. De kans is groter dat Harrie Lemmens zijn vertaling en misschien ook het Portugese origineel zomaar paraat blijkt te hebben. Het kan niet anders of je doet er heel lang over om van de snelle poëzie van een Pessoa, met behoud van snelheid, een adequate vertaling in het Nederlands voor elkaar te boksen.

Links en rechts. Op de linkerpagina is in een uur tijd een flinke hoeveelheid literair vuurwerk afgeschoten, op de rechterpagina is dagenlang monnikenwerk, millimeter voor millimeter gereconstrueerd. En ik zie met mijn rechteroog hoe het schiet en schittert op de linkerpagina. Dat denk ik.

Lees gedicht

Ongerijmd uur

 

Je stilte is een schip waarvan alle zeilen bol staan…
Zacht speelt de wind door de wimpels, jouw glimlach…
En jouw glimlach en je stilzwijgen zijn de stelten en de trap
waarmee ik me groter voordoe en me in het paradijs waan…

 

Mijn hart is een kruik die valt en in twee stukken breekt…
Jouw glimlach raapt hem op en legt hem stuk in een hoek…
Mijn voorstelling van jou is een drenkeling die aanspoelt,
maar je bent mijn schilderij waarop elke kleur fout afsteekt…

 

Open alle deuren, opdat de wind de voorstelling laat verdwijnen
die we hebben van wat in salons geurt door rook van ledigheid…
Mijn ziel is een grot die onderloopt wanneer het zeewater stijgt,
en mijn voorstelling van jou in dromen een lange stoet harlekijnen…

 

Het regent dof goud, maar niet buiten… Nee, in mij… Ik ben het Uur
en het Uur bestaat uit puinhopen van zichzelf en verbazing en schrik…
In mijn geest zie ik een arme weduwe die nooit schreit of snikt…
Aan de hemel in mij scheen nooit een ster, hoe kort ook van duur…

 

[…]

 

Fernando Pessoa

 

Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf. Een keuze uit de orthonieme gedichten. Vertaling Harrie Lemmens. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2019.

Submit to FacebookSubmit to Twitter