door Len Borgdorff, 30 juli 2019

 

De afgelopen weken zou ik graag met een rouwband omgelopen hebben. Aan een oude vriendschap is tamelijk hardhandig een einde gekomen. Wat er aan verleden nog toekomst leek te hebben, is plotsklaps bij de grond weggehakt. Het gras verkleurt er wat van, er liggen nog wat snippers en voor de rest zie je niets. Dat is jammer. Ik zou een bordje bij die plek willen plaatsen: op deze plaats bloedt nog een enorm wortelstelsel na. En welke plaats dat is? Ik zie weliswaar een weiland voor me waarop zomaar een grote beuk niet meer staat. Een beuk waarvan ik heus wel weet dat velen niet eens in de gaten hebben dat die er niet meer is, maar ik wel. Maar er is geen weiland en een beuk was er ook niet. Allemaal beelden en metaforen.

 

 

Ik loop intussen met een kop vol herinneringen die geen ander vervolg meer kennen dan steeds verminkter (weer een beeld!) en onvollediger herinnering te zijn.

 

Mij is het niet gelukt, maar ik stel me dit voor: als je afscheid neemt van je geloof gebeurt er ook zoiets, vooral als je bij nader inzien toch wel heel veel van die nu dode god gehouden hebt. Alleen dit: bij een dode god gebeurt er toch iets anders dan bij een dode vriend. De herinneringen krijgen niet alleen een andere betekenis en functie, ze hebben zelfs geen bestaansrecht meer als herinnering. Je hebt gehouden van, geluisterd naar, geloofd in, geleefd voor wat er nooit was.

 

Kun je afscheid nemen van wat er nooit was? In de aangrijpende bundel van Roelof ten Napel wordt daar een stevige en briljante poging toe gedaan. Wel eentje die overigens mislukt. Allereerst is er veel taal ontleend aan die nooit bestaand hebbende god en wat daarover wordt gezegd. Alsof je zegt: hij is er nooit geweest, maar gelukkig hebben we zijn woorden nog. En zijn beelden.

En voor zover we andere beelden hebben, blijken ook die ontoereikend.

 

Psalm (een baarmoeder, verzakt en weggenomen) opent met regels die je maar beter meteen uit je hoofd kunt leren.

 

nog steeds hangt voor de ochtend de mist

boven het weiland, alsof de aarde verdampt

het donker in.


Lees gedicht

 

Psalm (een baarmoeder, verzakt en weggenomen)

 

nog steeds hangt voor de ochtend de mist

boven het weiland, alsof de aarde verdampt

het donker in.

 

vanuit de verte staart een koe je aan

de mist hangt rond haar hals als een strop.

waarom gaf god ze zulke koppen?

 

alsof hun schedel zich

naar buiten duwt.

 

men zegt dat hij geeft en hij neemt, alsof hij je

even iets laat vasthouden. Hij weet gewoon niet

 

hoe dat voor ons verschilt,

dat we de dingen zichtbaar en dicht bij ons willen.

 

waar je vandaan kwam, je hebt het alleen

als de gedachte terwijl ze je verdoven,

waarvan je zeker weet dat je hem zal vergeten ─

 

iemand sluit je mond af ─

een kap op je grazende, malende kaak.

 

Roelof ten Napel

In de titel doemt tussen de haakjes al een schrijnende paradox op: het weghalen van de baarmoeder. Dat is volgens mij de essentie van de opdracht die Ten Napel zich stelt: het mogelijke begin weghalen van wat er ooit uit zou kunnen voortkomen. God afschaffen, te beginnen bij Genesis 0.

Zonder God verdampt, nog voor het eerste licht aanbreekt, zijn eerste schepping. Bij wijze van spreken.

Waarover gaat een gedicht waarin afscheid wordt genomen van wat er niet is. Dat gaat over afscheid. Maar wat is afscheid als er niets of niemand is om afscheid van te nemen?

 

Ik denk dat ik nu de bundel maar eens van achter naar voren gaat lezen.

 

Roelof ten Napel, Het Woedeboek. Gedichten. Hollands Diep, Amsterdam 2018.

Submit to FacebookSubmit to Twitter