door Len Borgdorff, 23 juli 2019

 

Arthur rukt me de bundel weer uit handen, bladert er opmerkelijk snel doorheen om vervolgens Psalm (zegening) voor te lezen.

Lees gedicht

Psalm (zegening)

 

mijn vader laat zijn hand opereren ─

vingers die kromgroeien, te veel weefsel,

het zit in de familie.

 

aan het eind van de dienst zag je ze,

terwijl hij de gemeente zegende,

de verharde strengen onder de huid

 

van zijn palm. hij tilde zijn handen omhoog

als stond hij onder schot,

 

en de genade van god

kwam over ons.

 

We zitten met zijn vieren in de tuin en Arthur leest het gedicht. Vanuit de tuinen naast ons klinkt geen enkel geluid. Om het gedicht te horen, hoop ik, maar de waarheid is dat de buren er gewoon niet zijn.

 

 

Het is een plastisch gedicht. Mieke en Arthur zien meteen weer de handen van Miekes vader, ook predikant. Handen die vergroeid waren door de reumatiek, een lichamelijke aandoening die zich ook in de familie van Mieke thuisvoelt. Ik herinner me de handen van haar vader nog heel goed. Ze waren mooi van pijn. Omdat vader Van Duijne al heel lang geleden is overleden, liggen die in mijn herinnering van hout geworden handen in zijn schoot. Ze zijn van knoestig hout, zijn een verwrongen sculptuur die door de tijd glad gepolijst is. Ik moet even aan de knieën van Christus denken in Brugge, eeuwen achtereen door vrome handen aangeraakt, die hardheid, dat patina. De barst van het leven waar het licht doorheen komt, van Leonard Cohen. Dat kan ik me bij vader Van Duijne nog wel voorstellen. Hoe dat is bij de predikant in dit gedicht, is minder duidelijk. Diens handen waren opgeheven,

 

als stond hij onder schot

 

Wat dan wel weer resulteert in ‘de genade van god,’ die ‘kwam over ons.’ Dat was dus vroeger.

In die tuin begon het gedicht voor mij pas bij de kromgegroeide vingers uit de tweede regel.

Als Arthur en Mieke weg zijn, blader ik de bundel door. Lees. Erger me als ik iets niet snap, lees verder, begin geleidelijk wat meer van die vervelende wolf te begrijpen, van de rare magnolia, en van die gedichten met dezelfde titel. Blijf een tijdje zitten staren naar de zwarte bladzijde in de bundel. Blader weer terug en vraag me plotseling af waarom het gedicht opent met die eerste regel:

 

mijn vader laat zijn hand opereren

 

Dat is de enige regel die in de tegenwoordige tijd staat. In het hier en nu wil die vader niet langer meer met zijn getergde handen zegenend onder schot staan. Hij is helemaal niet blij met de barst in het leven waardoor het licht naar hem toekomt. Geen licht, maar een kogel.

 

Het is een vervelende bundel, Het woedeboek van Roelof ten Napel. Ze roept veel nee, en nog eens nee bij me op. En ze duwt ook nog eens andere bundels die ik klaar heb liggen opzij. Sorry, Pessoa, het spijt me, Bruinja, Rijneveld, Creyson. Allemaal de schuld van Ten Napel.

Het zij hem vergeven.

 

Roelof ten Napel, Het Woedeboek. Gedichten. Hollands Diep, Amsterdam 2018.

Submit to FacebookSubmit to Twitter