door Len Borgdorff, 26 juni 2019

 

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn

Ik vind het een beetje jammer voor Hoornik dat dit zijn bekendste dichtregels zijn geworden, want het zijn zeker niet zijn mooiste. Dat ik er toch mee kom, dank ik aan de geest: die waaide toevallig uit de hoek waar deze woorden verstopt zaten en blies ze tevoorschijn.

 

 

Tijdens zijn poëzielessen van een mensenleven lang geleden gingen de bewegingen van leermeester R.L.K. Fokkema doorgaans niet verder dan zitten aan zijn tafel en wrijven in zijn ogen. Dan haalde hij de bril van zijn neus waardoor hij er heel anders uitzag. Ik herinner me maar één keer dat hij plotseling opstond, nee, sprong, een krijtje pakte en op het bord schreef:

 

‘the spirit killeth, but the letter giveth life’

 

Vervolgens keek hij ons een tijdlang triomfantelijk aan.

Ik had het heel anders geleerd. In 2 Korintiërs 3, eindigt het zesde vers met de tegengestelde bewering dat de letter juist doodt en dat juist de geest leven geeft. Daar had ik me altijd prima in kunnen vinden. Ik hield er niet van als mensen zeiden dat regels er zijn om overtreden te worden. Dat vond ik een bravoure-uitspraak, een lullig vormpje van burgerlijke ongehoorzaamheid die vooral burgerlijk en amper ongehoorzaam was. Maar het sprak me wel aan dat de regel of de wet niet zo waterdicht of anderszins sluitend is dat je er niet over zou moeten denken of er niet toch dit of dat. Een pleidooi voor het denken. De tekst van Paulus kwam volledig tegemoet aan mijn ethiek.

En toen schreef R.L.K. die letters op het bord.

 

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het woordje letter en het woordje geest.

 

Want zo zijn die woorden me bijgebleven. De context ben ik kwijt, zoals ik ook amper iets weet van de context waarin T.S. Eliot zich geroepen voelde om de bijbeltekst om te keren. Het heeft iets te maken met een essay dat hij in 1928 schreef over de poëzie van Baudelaire, maar ook met essays over de 17de-eeuwse geestelijke Lancelot Andrewes. Eliot was een groot bewonderaar van beiden.

 

R.L.K. keek glunderend rond, alsof hij het allemaal zelf bedacht had. Wat ook wel een beetje zo was.

Die les is gewoon verder gegaan, maar daarvan weet ik alleen nog dat door die opmerking van Eliot, niet meer dan een voetnoot bij een essay, mijn bloed spontaan de andere kant op ging stromen. Misschien doet het dat nu nog wel.

Ik was al in en van de poëzie toen, maar dit is toch wel les 1 van de poëzie. Ik herhaal hem daarom nog maar even, een beetje vrij vertaald:

 

‘de geest doodt, maar de letter leeft’

 

De geest waart over de wateren van ik zou dit of ik kan dat en even later vraagt de geest zich af wat voor briljants hij zo-even ook al weer bedacht. Miljoenen gedichten en romans en voornemens voor het leven zijn van de geest. De geest grossiert in daden die je nalaat en vergeet, of nalaat en helaas maar niet vergeten kan.

Nee, dan de letter. Die staat. En als een ander die leest, gaat die letter met haar of hem aan de haal en dat gebeurt later nog eens, of bij een ander.


T.S. Eliot, For Lancelot Andrewes: Essays on Style and Order, 1928.

Allereerst dank aan Jedi Noordergraaf die me wees op de herkomst van het citaat.

Ook dank aan Ed Hoornik, Gerrit Kouwenaar, Martinus Nijhoff en Remco Campert van wie ik stiekem wat letters in dit tekstje heb gefrommeld.

Het idee voor dit stukje ontstond aan de Oude Kamp te Utrecht, waar ik de afgebeelde gevelsteen aantrof. Naast het huis waar Dirkje Kuik lang woonde en werkte.

Submit to FacebookSubmit to Twitter