door Len Borgdorff, 4 juni 2019

Ingrediënten genoeg. Maar doe ik ermee?

In Dresden staat een gipsen voorstudie van het beeld dat Ernst Rietschel in 1853 maakte van Goethe en Schiller. Het is 56 centimeter hoog. De twee dichters proberen je met hun blinde ogen aan te kijken. Van beiden zweeft de rechterhand aarzelend in het luchtledige. Er is iets geweest om vast te houden of om naar te wijzen, maar het is er niet meer. Schiller is trouwens een paar vingers kwijt.

 

 

 

In Weimar poseerde ik vorige week triomfantelijk voor het bronzen resultaat van deze voorstudie. Hier geen aarzelend tasten van de twee heren: een lauwerkrans geeft zin aan beide handen. En dan hun blik. Schiller kijkt weg van de mensheid, met zijn blik op verten die buiten het bereik van  gewone mensen liggen en Goethe kijkt welbewust heen over het klootjesvolk dat wij vormen. Ik ben maar een klein jongetje op de foto. De literaire minister en zijn hooggeleerde compaan zijn minstens twee keer zo groot als ik.

Het gipsen beeld in Dresden zag ik tien jaar geleden. Het trof me. Vanwege de verminkte rechterhanden, de afwezigheid van het teken van hun gedeelde triomf, maar vooral vanwege de linkerarm van Goethe. Die is er namelijk niet. Wel ligt er een hand op de rechterschouder van Schiller en dank zij Weimar weten we dat het de hand van Goethe moet zijn.

Ik heb er toen een aantekening over gemaakt. Dat weet ik nog. Van het hele museum waar ik het beeld zag, weet ik vrijwel niets meer, maar die ontbrekende arm zie ik nog voor me. Die arm moest een ingrediënt voor een verhaal of een gedicht zijn dat er nooit gekomen is.

 

In Weimar, tien jaar later dus, was ik natuurlijk erg nieuwsgierig naar het beeld van de twee vrienden. En spontaan schoot me, nu pas, een gedicht van Schiller te bedenken dat ik als vierdeklasser las. Der Handschuh. Het kon geen toeval zijn dat ik het gedicht terugvond in een bundeltje dat ik voor onderweg had meegenomen.

 

Lees gedicht

Der Handschuh

 

Vor seinem Löwengarten,
Das Kampfspiel zu erwarten,
Saß König Franz,
Und um ihn die Großen der Krone,
Und rings auf dem Balkone,
Die Damen in schönem Kranz.
Und wie er winkt mit dem Finger,
Auftut sich der weite Zwinger,
Und hinein mit bedächtigem Schritt
Ein Löwe tritt
Und sieht sich stumm
Rings um,
Mit langem Gähnen
Und schüttelt die Mähnen
Und streckt die Glieder
Und legt sich nieder.

Und der König winkt wieder,
Da öffnet sich behend
Ein zweites Tor,
Daraus rennt
Mit wildem Sprunge
Ein Tiger hervor.
Wie der den Löwen schaut,
Brüllt er laut,
Schlägt mit dem Schweif
Einen furchtbaren Reif
Und recket die Zunge,
Und im Kreise scheu
Umgeht er den Leu
Grimmig schnurrend;
Darauf streckt er sich murrend
Zur Seite nieder.

Und der König winkt wieder,
Da speit das doppelt geöffnete Haus
Zwei Leoparden auf einmal aus,
Die stürzen mit mutiger Kampfbegier
Auf das Tigertier;
Das packt sie mit seinen grimmigen Tatzen,
Und der Leu mit Gebrüll
Richtet sich auf, da wird’s still;
Und herum im Kreis,
Von Mordsucht heiß,
Lagern die greulichen Katzen.

Da fällt von des Altans Rand
Ein Handschuh von schöner Hand
Zwischen den Tiger und den Leun
Mitten hinein.

Und zu Ritter Delorges, spottender Weis,
Wendet sich Fräulein Kunigund:
"Herr Ritter, ist Eure Liebe so heiß,
Wie Ihr mir’s schwört zu jeder Stund,
Ei so hebt mir den Handschuh auf!"

Und der Ritter in schnellem Lauf
Steigt hinab in den furchtbaren Zwinger
Mit festem Schritte
Und aus der Ungeheuer Mitte
Nimmt er den Handschuh mit keckem Finger.

Und mit Erstaunen und mit Grauen
Sehens die Ritter und Edelfrauen,
Und gelassen bringt er den Handschuh zurück.
Da schallt ihm sein Lob aus jedem Munde,
Aber mit zärtlichem Liebesblick —
Er verheißt ihm sein nahes Glück —
Empfängt ihn Fräulein Kunigunde.
Und er wirft ihr den Handschuh ins Gesicht:
"Den Dank, Dame, begehr’ ich nicht!"
Und verlässt sie zur selben Stunde.

 

Friedrich Schiller, 1797


Veel romantische gedichten vond ik als zestienjarige tuttig en flauw. Was het niet vanwege hun narratieve kant, dan wel om de clichébeelden waarin romantici grossierden. Maar dit gedicht sprak me wel aan, en dan vooral deze regels:

Und er wirft ihr den Handschuh ins Gesicht:
‘Den Dank, Dame, begehr’ ich nicht!’

 

Zo tollen er allerlei attributen door mijn hoofd. Een handschoen, een lauwerkrans, wegkijkende vrienden, een afwezige arm, een hand als een last op je schouder. Ingrediënten waarvan je in poësis toch een heerlijke taart zou moeten kunnen bakken. En dan die vriendschap die vermeend is, die bronzen heroïek versus een gipsen hulpeloosheid, de verovering die omslaat in verlies. Ik kijk er naar, naar al die prachtige middelen om tot iets moois te geraken. Daar blijft het bij. Daar blijft het bij.

 

Friedrich Schiller, Gedichte. Insel-Verlag, Leipzig 1973

Submit to FacebookSubmit to Twitter