door Len Borgdorff, 6 mei 2019

 

Vanaf zijn schommel was ook Lucas onder de indruk van de majestueuze kastanje. Zoals die in bloei stond. We bestudeerden de bloemetjes, teer wit met een verfijnd rood hartje. En daarvan dus honderden bij elkaar in één ‘kaars’ en van die kaarsen weer honderden aan deze ene eik. ‘Het is een kastanje.’ Lucas verbeterde zichzelf, maar even later had hij het weer over een eik.

 

 

Het is onmogelijk om met je neus al te lang op één zo’n bloemetje te zitten. De wereld ruist en roept van alles bij elkaar om niet aan de essentie van iets te geraken.

 

Toen ik diezelfde dag vroeg in de avond naar huis liep, zag ik dat de huizenblokken voor mij een schitterende zonsondergang verborgen. Gelukkig kon ik daar nog iets van meekrijgen door achterom te kijken waar hoge populieren met jong blad een rustige strijd leverden tussen kunst en kitsch, licht en goud. De kastanje was nu te ver weg om te zien hoe de kaarsen zouden reageren op het avondlicht, en dat ene bloempje dat ik die middag aandachtig bekeken had, terwijl ik Lucas op een schommel had laten deinen.

 

Een uur later lees ik een gedicht met blauwglanzende vliegen. De vierde strofe eindigt met ‘blauwglanzende’, dan volgt een dubbele harde return en daarna pas komen de lijfjes tevoorschijn die zo glansden en de goud-generfde vleugels van de vliegen. Ik moet nog een regel verder lezen dat het om strontvliegen gaat.

 

Zo dus:

‘hoe onuitputtelijk de voorraad is die de blauwglanzende

 

lijfjes beschijnt en de goud-generfde vleugels van de vliegen krioelend

om de achtergelaten darmen van een natuurlijk bloedbad of om een drol’

 

Eerst de onuitputtelijkheid van de schoonheid van het licht en later, als aan die schoonheid niet meer te tornen valt, komt een wolk vliegen als een aap uit de mouw. Ze zitten op een dood dier of op een drol die in het licht net zo mooi glanst als de populieren die ik vanavond zag.

 

Het is even wennen. Ik ben geen liefhebber van drollen en glanzende vliegen. Toch herinner ik me de kleuter die voor het eerst op een poepdoos zat. Er kwam een blauwe vlieg op mijn knie zitten. Nu ik daar toch zat te zitten, kon ik de vlieg net zo goed wat beter bekijken. Wat zat dat beestje goed in elkaar. Om nog dichter bij het gedicht van Ammons te komen zou ik nu ook een hartje in de deur van de poepdoos kunnen fantaseren waardoor zacht lentelicht op mijn kleuterknie viel, de rechter om precies te zijn, waardoor de vlieg moeiteloos de schittering van een diamant overtrof. Maar zo was het niet.

 

Lees gedicht

De stadsranden

 

Als je je gedachten laat gaan over het schijnen, dat het zich niet inhoudt

maar zich uitstort zonder onderscheid over alle hoeken

en gaten voor zover niet overwoekerd of verstopt; als je bedenkt

 

dat vogelbotjes geen vreselijk lawaai maken tegen het licht maar

zich gedeisd houden als in een hoge getuigenis; als je je gedachten

laat gaan over het schijnen, dat het diep in het schuldigste

 

gedraai van het wispelturige hart kijkt, en daarop inwerkt,

zonder zich te hullen in vermomming of duisternis; als je bedenkt

hoe onuitputtelijk de voorraad is die de blauwglanzende

 

lijfjes beschijnt en de goud-generfde vleugels van de vliegen krioelend

om de achtergelaten darmen van een natuurlijk bloedbad of om een drol

en dat die totaal niet terugschrikt voor de storm van zijn eigen vrijgevigheid;

 

als je bedenkt dat lucht of ledig, sneeuw of roet, aas of haai, roos of korstmos,

dat alles in precies zoveel licht wordt aangenomen als nodig, dan

beweegt het hart ruimer, richt de mens zich, kijkt hij om zich heen, het

 

blad verheft zich niet boven het gras en het donkere

werk van de verborgenste cellen zingt met de meidoorn één melodie,

en angst, zo breeduit aan het licht gebracht, verkeert bedaard in dank.

 

A.R. Ammons

 

De vertaling van dit gedicht ‘The City Limits’ van A.R. Ammons vind je in Christian Wiman, De kunst van geloven, geloof in kunst, vertaald door Willem Jan Otten. Brandaan, Amersfoort 2019.

Submit to FacebookSubmit to Twitter